Menu

Zoek op
rubriek
Klimaatweb
0

Wijziging handhavingsbesluit warmtelevering in De Sniep

De Rechtbank Rotterdam heeft de ACM in een uitspraak van 19 augustus 2022 deels in het ongelijk gesteld in de beroepen in de zogenoemde warmtezaak de Sniep. De ACM moet een nieuw besluit nemen over de manier waarop warmteleverancier Eneco de kosten voor de levering van warmte in het verleden heeft toegerekend aan bewoners.

ACM 23 augustus 2022

Samenvatting

Samenvatting

De zaak ging oorspronkelijk over de afwijzing van handhavingsverzoeken van Vereniging Betaalbare Warmte voor de Sniep (de Sniep) en de Vereniging Eigen Huis (VEH) tegen Eneco. De Rechtbank Rotterdam heeft op 28 april 2020 tussenuitspraken over deze zaken gedaan. In deze tussenuitspraken heeft de rechtbank het besluit van de ACM over deze handhavingsverzoeken op een aantal punten bevestigd en op een aantal andere punten nader onderzoek gevraagd van de ACM. Na de tussenuitspraken heeft de ACM deze onderzoeken uitgevoerd. De ACM heeft in de wijzigingsbesluiten van 23 oktober 2020 Wijziging handhavingsbesluit warmtelevering in De Sniep vastgesteld dat Eneco individuele warmtemeters moet plaatsen in de woningen in de wijk De Sniep en heeft Eneco opgedragen om binnen één jaar na bekendmaking van dit besluit de individuele meters te plaatsen. Ook heeft de ACM vastgesteld dat de voorwaarde van Eneco dat kopers van woningen in De Sniep bij het aangaan van de koopovereenkomst een boete moeten betalen als zij geen leveringsovereenkomst voor warmte aangaan onredelijk is. Daarnaast heeft de ACM vastgesteld dat de kopers bij het aangaan van de koopovereenkomst onvoldoende zijn geïnformeerd. De ACM is echter niet over gegaan tot het opleggen van een (herstel)sanctie , omdat onder andere gezien het tijdsverloop herstel niet meer mogelijk is. Tot slot moest de ACM van de Rechtbank onderzoeken of de kostenverdeelsystematiek (de zogenaamde BVO-systematiek), die Eneco toepaste omdat de woningen geen individuele warmtemeter hadden misschien meer kan worden toegespitst op de individuele afnemer. De ACM heeft na onderzoek in haar herstelbesluit vastgesteld dat de alternatieve methode niet tot de technische en financiële mogelijkheden behoort. De technische data voor het verleden kunnen niet meer compleet worden gemaakt en het hanteren van twee verschillende methoden wordt door de ACM niet wenselijk geacht. Voor de toekomst acht de ACM het niet efficiënt om nog een alternatieve methode te gebruiken, omdat met het plaatsen van meters nauwkeuriger inzicht in het verbruik wordt bereikt. De ACM heeft daarom vastgesteld dat de BVO-systematiek terecht door Eneco wordt gehanteerd. De toetsing van het door Eneco in rekening gebrachte leveringstarief aan de maximumprijs in deze zaak hoeft daarom, volgens de ACM, niet te worden herhaald.

De rechtbank oordeelt dat de eerder geconstateerde gebreken in de besluiten deels niet zijn hersteld, verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en het wijzigingsbesluit voor zover het de onderdelen betreft die zien op de kostenverdeelsystematiek en de daarmee samenhangende toets op de vastrechttarieven en draagt de ACM op om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen.

De rechtbank stelt dat gelet op de strekking van de Warmtewet, namelijk bescherming van de consument, en het bepaalde in artikel 8a, derde lid, van de Warmtewet, in beginsel van de alternatieve methode moeten worden uitgegaan. Met deze methode kan immers tot een nauwkeuriger meting van individueel verbruik worden gekomen. Dat dit voor de warmteleverancier meer werk oplevert, weegt niet op tegen het belang van bewoners om zo goed mogelijk inzage te krijgen in hun eigen verbruik. Volgens de rechtbank leidt dit dan ook niet tot ongerechtvaardigd onderscheid tussen verbruikers. Voor het verleden dient dan ook in eerste instantie de kostenberekening plaats te vinden op basis van de alternatieve methode. Alleen als dit niet mogelijk is kan de BVO-systematiek worden gehanteerd. Hieruit volgt verder dat voor wat betreft de alternatieve methode nieuw onderzoek nodig is om vast te stellen of het maximum tarief wordt overschreden. Voor wat betreft de BVO-methode volgt de rechtbank het standpunt van de ACM.

Het oordeel van de ACM blijft voor de overige onderdelen in stand.

De rechtbank veroordeelt de ACM in de proceskosten.

Partijen hebben nog tot 30 september de tijd om in hoger beroep te gaan in deze uitspraken van de rechtbank Rotterdam.

Lees de uitspraken van de rechtbank hier:

ECLI:NL:RBROT: 2022:6844

ECLI:NL:RBROT: 2022:6845

Artikel delen