Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Het bevoegd gezag moet bij de beslissing op de aanvraag in acht nemen, dat ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast (art. 8.9, lid 1, onder d, Bkl)). In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is voor het begrip BBT aangesloten bij de definitie uit de Richtlijn industriële emissies (Richtlijn 2010/75/EU). De definitie van BBT luidt als volgt:

"het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond, met als doel emissies en gevolgen voor het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, te beperken, waarbij wordt verstaan onder:

  • «technieken»: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld,
  • «beschikbare»: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken wel of niet binnen Nederland worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn, en
  • «beste»: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel;"

In artikel 8.10 van het Bkl is uitgewerkt dat bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan BBT rekening wordg gehouden met de BBT-conclusies en informatiedocumenten bedoeld in bijlage XVIII, onder A van het Bkl. Als op een milieubelastende activiteit geen BBT-conclusies van toepassing zijn, of niet alle mogelijke milieugevolgen omvat, dan bepaalt artikel 8.10, lid 2, van het Bkl hoe BBT dan moet worden vastgesteld. In dit lid is aangegeven dat daarbij in ieder geval rekening gehouden moet worden met:

  • “de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;
  • de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als bedoeld in artikel 3 van de CLP-verordening;
  • de ontwikkeling van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;
  • vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;
  • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;
  • de aard, de gevolgen en de omvang van de emissies;
  • de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen;
  • de tijd die nodig is om een betere techniek te gaan toepassen;
  • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;
  • de noodzaak de nadelige gevolgen van de emissies en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;
  • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken; en
  • de informatiedocumenten, bedoeld in bijlage XVIII, onder A.”

In artikel 8.10, lid 2, onder l van het Besluit kwaliteit leefomgeivng wordt verwezen naar de informatiedocumenten opgenomen in bijlage XVIII, onder A van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor de meest milieubelastende activiteiten (IPPC-inrichtingen) zijn op Europees niveau informatiedocumenten vastgesteld (BBT-reference documents ofwel BREF’s) en BBT-conclusies. Voor de afvalbranche zijn de BREF Afvalbehandeling (BREF Waste treatment) en de BREF Afvalverbranding (BREF Waste Incineration relevant. Voor de BREF Afvalbehandeling zijn de BBT-conclusies op 17 augustus 2018 gepubliceerd en die van de BREF Afvalverbranding 3 december 2019. De BBT-conclusies gaan kort samengevat over emissiegrenswaarden, energie-efficiëntie, afvalbeheer, monitoring en rapportage.

Relevant voor afvalverwerkende inrichtingen zijn onder meer de documenten over Lozingen uit tijdelijke baggerspeciedepots, Riooloverstorten deel 1-4b, Verwerking waterfractie gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen, Integrale bedrijfstakstudie tankautoreiniging en Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen.

Afwijken van de BBT-conclusies

Bij het opstellen van een omgevingsvergunning voor het aspect milieu voor een IPPC-installatie moeten dus de BBT-conclusies worden toegepast. Vaststellen van minder strenge emissiegrenswaarden is alleen mogelijk als toepassing van de met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BAT-AEL) leidt tot buitensporig hogere kosten als gevolg van geografische ligging, lokale milieuomstandigheden of technische kenmerken van de activiteit (art. 8.28,, van het Bkl). Een dergelijke afwijking moet in de vergunning uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

De in de BREF Afvalbehandeling genoemde technieken kunnen ook worden gehanteerd als referentiekader bij milieubelastende activiteiten die niet onder de RIE vallen. Op het moment dat er geen concrete BBT zijn vastgesteld, kan soms teruggevallen worden op de meer algemene milieu-uitgangspunten (bijvoorbeeld bestrijding aan de bron).

Enkele voorbeelden uit de rechtspraak:

Nieuwe BBT-conclusies Rechtbank Gelderland, 31 januari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:425
Het betreft hier een afvalmeeverbrandingsinstallatie voor biomassa en niet-gevaarlijk afval (IPPC-installatie). Het college heeft nieuwe of herziene BBT-conclusies aan de omgevingsvergunning verbonden. In geschil is of het college met een eigen afweging met toepassing van artikel 5.10, lid 3, van het Bor grenswaarden mocht stellen, dan wel van de regels uit het Activiteitenbesluit mocht afwijken met toepassing van artikel 2.22, lid 5, van de Wabo.

De rechtbank overweegt dat in dit geval sprake is van een bijzondere situatie. Normaal gesproken zouden de BBT-conclusies Afvalverbranding van 3 december 2019 binnen vier jaar zijn geïmplementeerd in het Activiteitenbesluit, waardoor de mengregel voor het afvaldeel voor NOx overeenkomstig de BBT-conclusies had gegolden. Dit heeft de besluitgever echter nagelaten en de BBT-conclusies zijn alleen geïmplementeerd in het Bal omdat de verwachting destijds was dat het Bal op korte termijn in werking zou treden, samen met de Omgevingswet. Eiseres heeft in wezen niet weersproken dat de BBT-conclusies Afvalverbranding geïmplementeerd hadden moeten zijn. Verder geldt dat met de (ten tijde van het besluit toekomstige) inwerkingtreding van (art. 4.73 van) het Bal ook emissiegrenswaarden voor NH3 (zijn) gaan gelden. Weliswaar heeft eiseres gesteld dat ook bij inwerkingtreding van het Bal niet van rechtswege strengere emissiegrenswaarden gelden, maar dat laat onverlet de plicht om bij besluit de vergunningvoorschriften te actualiseren of de bevoegdheid om van het Activiteitenbesluit (dan wel het Bal) af te wijken om toepassing van de beste beschikbare technieken te waarborgen. Daarbij geldt dat door het college vastgestelde emissiegrenswaarden moeten waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in BBT-conclusies.

De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een situatie waarin de door het college toegepaste BBT-conclusies rechtstreeks van toepassing zijn. Dit neemt echter niet weg dat de BBT-conclusies kunnen dienen als informatie op grond waarvan het bevoegd gezag kan besluiten dat er belangrijke veranderingen zijn in de beste beschikbare technieken die een aanmerkelijke beperking van emissies mogelijk maken, als bedoeld in artikel 5.10, derde lid, onder b, van het Bor of dat op grond daarvan zelf de beste beschikbare technieken kunnen worden bepaald als bedoeld in artikel 5.4, tweede lid, van het Bor. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de BBT-conclusies van 3 december 2019 na vier jaar kunnen dienen als aanleiding om te onderzoeken of de aan de vergunning verbonden voorschriften nog toereikend zijn, als bedoeld in artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo of dat het college een eigen afweging kan maken op grond van artikel 5.10, derde lid, van het Bor dan wel op grond van artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo en 5.4, tweede lid, van het Bor.

Noodzaak actualisatie en wijziging Rechtbank Oost-Brabant, 12 april 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:1490.
Het bevoegd gezag heeft al meerdere omgevingsvergunningen verleend aan een inrichting waar IPPC-installaties aanwezig zijn. In het bestreden besluit worden deze omgevingsvergunningen geactualiseerd en worden andere en strengere voorschriften gesteld.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.30, in samenhang met artikelen 2.31, eerste lid onder b, en artikel 2.31a van de Wabo een verplichting omvatten voor het bevoegd gezag om de voorschriften van een vergunning te wijzigen indien latere technische ontwikkelingen tot bescherming van het milieu daartoe aanleiding geven. In dit geval heeft het college de omgevingsvergunning niet gewijzigd naar aanleiding van ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu, maar naar aanleiding van latere technische ontwikkelingen, namelijk de recente BBT. Gelet op artikel 5.10 van het Bor (en overigens ook artikel 21, derde lid onder a van de Rie en onder de Omgevingswet artikel 8.98, eerste lid, van het Bkl), is het college verplicht de vergunningvoorschriften te actualiseren als dat noodzakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat het college wel moet motiveren of het noodzakelijk is de voorschriften te wijzigen. Het college hoeft niet te onderzoeken of met de naleving van de voorschriften in het bestaande vergunningenbestand hetzelfde beschermingsniveau kan worden bereikt als met de BBT. Een andere uitleg zou er immers toe leiden dat bij iedere actualisatie de noodzaak en legitimiteit van de BBT zelf ter discussie zouden kunnen worden gesteld en dat lijkt de rechtbank niet de bedoeling gelet op de ontstaansgeschiedenis van conclusies over best beschikbare technieken. Het college hoeft ook niet uitputtend te onderzoeken wat nu precies is aangevraagd. In dit geval is sprake van een complexe inrichting waarbij het college zich al eerder op het standpunt heeft gesteld dat een revisievergunning nodig is en is het niet eenvoudig om te bepalen wat eiseres 1 in het verleden allemaal heeft aangevraagd. De rechtbank is van oordeel dat een noodzaak voor wijziging al is gegeven als blijkt dat door de ontwikkeling van technische mogelijkheden de milieuverontreiniging die door de inrichting wordt veroorzaakt verder kan worden beperkt. Dit sluit ook aan bij de huidige, hierboven beschreven systematiek van de Omgevingswet. Het college is gehouden de noodzaak dieper te onderbouwen als het college met toepassing van artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo de grondslag van de aanvraag verlaat en voorschriften aan de omgevingsvergunning verbindt die strekken tot de toepassing van andere technieken. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het college de omgevingsvergunningen niet zodanig kan wijzigen dat reeds vergunde onderdelen van de inrichting verkapt worden ingetrokken doordat de inrichting nooit in werking kan zijn zonder te handelen in strijd met de nieuwe vergunningvoorschriften. In dat geval ligt het voor de hand dat het college de omgevingsvergunning voor die onderdelen intrekt met toepassing van artikel 2.33, eerste lid onder b van de Wabo. Dat is de uiterste, laatste stap in een afwegingsproces en daarvoor geldt een ander toetsingskader. De rechtbank verwijst in dit kader naar rechtsoverweging 6.4 van haar uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:1040.

IPPC-installatie of niet? – ABRvS, 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:139.

Kern van het geschil is dat verweerder meent dat het hier gaat om een IPPC-installatie als bedoeld in de Europese Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU, hierna: RIE) en dat de beste beschikbare technieken (BBT) uit de BREF Afvalbehandeling kunnen worden voorgeschreven, maar dat vergunninghoudster van oordeel is dat er geen sprake is van een IPPC-installatie op grond van de voorganger van de Richtlijn industriële emissies (namelijk de IPPC-richtlijn). Door uit te gaan van de RIE in plaats van de IPPC is het beoordelingskader anders en zijn de voorschriften te streng. De Afdeling stelt vast dat op het moment van besluitvorming de RIE moest worden toegepast en dat daardoor de bijlage bij deze richtlijn bepalend is voor de vraag of er sprake is van een IPPC-installatie. Aangezien de inrichting betrekking heeft op het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen in afwachting van nuttige toepassing en de totale capaciteit meer dan 50 ton bedraagt, is er sprake van een IPPC-installatie en konden bij het stellen van voorschriften de inzichten uit BREF Afvalbehandeling gehanteerd worden. Het beroep wordt voor dat onderdeel ongegrond verklaard.

IPPC-installatie dierlijke mest? – Rechtbank Oost Brabant, 8 april 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1680.

De rechtbank is van mening dat, anders dan eisers stellen, dierlijke mest niet is aan te merken als dierlijk afval zoals is opgenomen in categorie 6.5 van bijlage I van de IPPC-richtlijn. Op basis van een andere categorie is hier wel sprake van een IPPC-inrichting.

Milieustraat een IPPC-installatie? – Rechtbank Gelderland, 7 mei 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1861.

Het bezwaar van eisers tegen het verlenen van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets behelst dat verweerder hier een milieuvergunning had moeten verlenen, omdat het gaat om een inrichting die is genoemd in de (voormalige) EG-richtlijn 2008/1/EG “geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging” (IPPC-richtlijn). Zij stellen dat het gaat om een installatie voor de verwijdering of nuttige toepassing met een capaciteit van 10 ton per dag of meer. De rechtbank oordeelt dat opslag geen handeling is die onder nuttige toepassing valt. Voor wat betreft verwijdering vallen de aangevraagde handelingen onder de capaciteitsdrempel van 10 ton (per dag) of meer. Er wordt dan niet voldaan aan de definitie van een gpbv-installatie (IPPC-installatie). Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Bijschrift: De opvolger van de IPPC-richtlijn, Richtlijn industriële emissies, is gewijzigd in die zin dat alleen opslaginstallaties met een capaciteit van meer dan 50 ton (dus zonder tijdsaanduiding) zijn aan te merken als IPPC-inrichting en dus vergunningplichtig blijven.

BBT als BREF geen concrete informatie bevat – ABRvS, 28 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:878.

Weigering voor de lozing afvalwaterstroom. De Afdeling stelt vast dat de hier van toepassing zijnde BBT-documenten, te weten de BREF Afvalbehandeling en de BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling, geen concrete beste beschikbare techniek voorschrijven voor een lozing van een afvalbewerkingsbedrijf als van appellante. Om die reden wordt beschouwd of het mogelijk en redelijk is om te voldoen aan het algemene uitgangspunt dat brongerichte maatregelen de voorkeur hebben boven zuiveringstechnische maatregelen (bij een AWZI). De Afdeling stelt vast dat het Hoogheemraadschap aannemelijk heeft gemaakt dat de afvalwaterstromen zodanige hoeveelheden bestrijdingsmiddelen zullen bevatten dat deze niet zonder het toepassen van zuiveringstechnieken bij de bron mogen worden geloosd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toepassen van een zuiveringstechniek onevenredig hoge kosten met zich meebrengt. Om die reden heeft verweerder de lozing in redelijkheid kunnen weigeren. De stelling van appellante dat niet zij de bron maar de glastuinbouwbedrijven de bron van de verontreiniging zijn, gaat niet op omdat de afvalwaterstromen het gevolg zijn van activiteiten van appellante en zij deze wenst te lozen op de AWZI en zij dus kan worden aangemerkt als bron in de zin van artikel 8.11, lid 3, Wet milieubeheer. Het besluit wordt (om een andere reden) gedeeltelijk vernietigd. De weigering voor wat betreft de lozing van de bestrijdingsmiddelen bevattende afvalwaterstromen blijft in stand.