De teller loopt: in 2050 moet Nederland een volledig circulaire bouweconomie hebben. Maar niet overal wil het vlotten. Wat houdt ons tegen? PONT | Klimaat vroeg het aan Bas van de Westerlo, business unit manager circulariteit bij Volantis. “Risicomijdend gedrag houdt de transitie tegen.”

‘Het Nieuwe Normaal’ is een raamwerk dat geïmplementeerd moet worden om de Nederlandse bouweconomie circulair te maken. Volgens Bas van de Westerlo staan we aan de vooravond van de volgende avond in de transitie. “De pilotfase is voorbij, maar het écht nieuwe normaal? Dat is het nog niet.” Waar ligt dat aan? Zijn het de technische innovaties of ons denkpatroon? Zijn er financiële remmingen? Wat is er nodig om Nederland sneller en meer circulair te laten bouwen?
Om klimaatverandering en biodiversiteitsverlies tegen te gaan, moet Nederland in 2050 een volledig circulaire bouweconomie hebben. Als tussenstap kwam het kabinet Rutte II met de doelstelling om in 2030 de 50 procent te hebben bereikt.
Onder circulair bouwen verstaan we alle methodes die zich richten op het zo lang mogelijk hergebruiken van materialen en producten. Op die manier minimaliseren we het afval en besparen we grondstoffen. Een belangrijke vorm hiervan is biobased bouwen: de gebruikte materialen zijn afkomstig uit de natuur, dus hernieuwbaar en herbruikbaar.
Als leidraad bij de ambitieuze, maar belangrijke doelstellingen, stelde de Nationale Aanpak Biobased Bouwen uit 2023 de 30-30-30-regel op: in 2030 moet minstens 30 procent van de nieuwbouwwoningen met minimaal 30 procent biobased materiaal zijn gebouwd. Met minder dan vier jaar te gaan, is het hoog tijd om stappen te maken. “De komende jaren gaan bepalen of we vanuit het kantelpunt terechtkomen in een versnellingsfase”, vertelt Van de Westerlo. Die versnellingsfase is nodig om echt vaart te maken met duurzaam bouwen en de doelen te bereiken. Maar daar zijn we dus nog niet. Nét niet.
Van de Westerlo legt uit dat elke transitie – want daar zitten we feitelijk in – altijd begint met een klein groepje innovators. Vervolgens breidt dat groepje zich uit met de mensen die denken ‘Hé, dit is een goed plan, daar zien we toekomst in, dit gaan we toepassen’. Deze groep noemt men de early adopters.
Maar dan komt er een moeilijk punt, en daar zit Nederland nu in: ook de early majority moet stappen zetten. Deze groep is, zoals de naam zegt, groot, maar ook hard nodig om de transitie naar het volgende level te brengen. “Zij willen wel mee veranderen, maar weten niet hoe. Er is bereidheid, maar ze zijn risicomijdend.”
De early majority, de groep die nog niet helemaal overtuigd is van biobased en circulair bouwen, heeft behoefte aan heldere kaders, praktijkvoorbeelden en overtuigende businesscases. Opvallend genoeg zijn deze drie er al. “Scholen, kantoorgebouwen en woningen. Er zijn legio voorbeelden te noemen van succesvolle biobased en circulaire bouwprojecten. Ook qua financiën is het mogelijk: ondanks dat een biobased en circulair bouwproject in het begin duurder uitvalt, zullen de uiteindelijke kosten alsnog meevallen.” En ook het raamwerk staat als een huis, denk aan Het Nieuwe Normaal en de Nationale Aanpak Biobased Bouwen.
Maar, legt Van de Westerlo uit, er speelt nog een factor mee in de overtuigingsfase: helderheid in vraag en aanbod. Wat een opdrachtgever wil, kan verschillen per regio. “Ik ben zelf veel werkzaam in bijvoorbeeld Limburg. Het noordelijk deel zet sterk in op biobased bouwen, terwijl ze in het zuiden vooral bezig zijn met hergebruik van bestaande grondstoffen.” Dat verschil is er omdat er in Zuid-Limburg van oudsher een mijncultuur hangt, dus hun voorkeur is net anders en er ligt een andere opgave.
Dat is helemaal niet erg of verkeerd, integendeel, maar de opdrachtgever moet helder hebben wat hij wil en de opdrachtnemer moet op een rij hebben wat hij kan bieden. “Maatwerk is niet altijd mogelijk en daar moeten ze zich echt bij neerleggen. Pas dan ontstaat er een gedeelde taal en wordt uitwerking van het plan realistisch.” In Limburg is recent het project CEL4LIFE gestart, waar o.a. Building Balance bij betrokken is. Daarin ligt onder meer de focus om de komende jaren de toepassing van biobased materialen in nieuwbouw woningen te gaan vergroten.
“Eigenlijk een heel logisch advies,” eindigt Van de Westerlo, “maar nog wel nodig, want bij veel regio’s loopt het nog niet soepel.” Aan het begin van zijn zestienjarige carrière in duurzaam bouwen was hij vooral met opdrachtgevers aan het overleggen, en soms ook al aan het inspireren en overtuigen. “Hopelijk komen we nu eindelijk in de fase waarin we organisaties gaan activeren en plannen vaker gaan implementeren.”
