Eten is een van de belangrijkste dingen in ons leven. Maar wat stoppen we precies in onze mond? Is het niet zo dat uitbuiting, extreem over- gewicht, ondervoeding, honger en grote milieuschade enkele gevolgen zijn van onze wijze van consumeren? Dit zou toch anders moeten kunnen, maar de vraag is: hoe dan? In zijn boek Goed eten. Filosofie van voeding en landbouw behandelt Michiel Korthals deze vragen en ontwikkelt hij een model om de kloof tussen productie en consumptie te overbruggen. Lees hier de eerste pagina’s. Lees ook het volgende deel, het eerste hoofdstuk: Geschiedenis van de groeiende kloof.

Barrières die een ethische analyse van de kloof verhinderen
Net als de meeste lezers ben ik als stadskind geboren, met nauwelijks mogelijkheden om de drie dimensies van voedselvaardigheden te ontwikkelen: ik groeide op in de kloof. Wel herinner ik me heel goed paradijselijke vakanties op boerderijen. Mijn belangstelling voor landbouw is langzamerhand gegroeid en hoe meer ik mij erin verdiepte, hoe gefascineerder ik raakte door de complexiteit ervan en door de kundigheid waarmee veel boeren en tuinders werken. Nog steeds heb ik het gevoel maar heel weinig te begrijpen van de ontzettend complexe netwerken rond landbouw, milieu, dieren en voeding. Filosofie, mijn studie, was ook een grote barrière voor een verdieping in deze materie, want je leert dat filosofie te maken heeft met het hogere – niet met het aardse en subjectieve – en met eeuwige, blijvende en universele zaken – niet met dingen die je opeet en daarmee (lijken te) verdwijnen. Er zijn heel veel filosofen die eten onbelangrijk vinden en deze filosofische barrière is onderdeel van de kloof. Ook zijn westerse filosofen heel erg geneigd te denken vanuit het individu, maar daarmee kom je niet zo ver als je de complexe maatschappelijke netwerken wilt begrijpen die ervoor zorgen dat individuen uiteindelijk kunnen eten.
Daarom wil ik de filosofie ombuigen naar concrete, aardse zaken die voor lichaam, geest en maatschappij van het grootste belang zijn. Daarnaast wil ik een totaalbeeld proberen te schetsen van wat er met voeding aan de hand is. Filosofie, als ‘de wetenschap van alles’, heeft instrumenten in huis om de grenzen tussen disciplines en benaderingen te overbruggen, en is daarom in staat een totaalbeeld te schetsen van wat er met voeding aan de hand is. Ik ben in de loop der jaren steeds kritischer geworden over de huidige conventionele landbouw, die veel chemische middelen en veel harde technologie gebruikt, die ervoor zorgt dat er steeds minder boeren zijn en dat steeds meer dieren als fabrieksinstrument worden gebruikt. Ik besef dat iedereen, ik ook, (nog steeds) afhankelijk is van de conventionele landbouw, dus kritiek dient genuanceerd te zijn. Toch vind ik dat de huidige conventionele landbouw als geheel, ondanks vele goede zaken, niet voldoet aan ethische maatstaven van duurzaamheid, dierenwelzijn en respect voor boeren en consumenten. De alternatieve vormen van landbouw verdienen veel meer aandacht, maar het is niet zo dat ze de oplossing voor alle problemen zijn. Bovendien verandert de conventionele landbouw ook, dus mag mijn blik niet eenzijdig zijn.
Gevolgen van de kloof en de vervreemding van voeding
De kern van de problemen waarmee de conventionele landbouw wordt geconfronteerd, is dat de kloof tussen productie en consumptie erdoor wordt aangemoedigd. Door steeds langere mondiale voedselketens raakt de productie verder en verder verwijderd van de consumenten en kunnen individuele schakels in de keten doen wat ze willen. Normatieve vervreemding is het gevolg: producenten zijn losgezongen van de normen van de consumenten en de consumenten verliezen de aandrang de productieprocessen normatief te beoordelen. Zowel producenten als consumenten lijken het spoor bijster te zijn. Belangrijke waarden als duurzaamheid, dierenwelzijn, respectvolle behandeling van boeren en andere werkers, veiligheid en gezondheid staan op het spel. Deze kwesties zijn de grote uitdagingen van wat de landbouw- en voedingssector is gaan heten. Ten onrechte wordt dat een sector genoemd, want landbouw en voeding hebben met alles te maken wat de mens tot mens en de samenleving tot samenleving maakt.
In de massamedia worden consumenten bijna wekelijks geconfronteerd met grote schandalen. Films als Our daily bread, Darwin’s Nightmare, We feed the world, Cowspiracy en Super Size Me tonen de donkere kant van ons voedselsysteem: sommige van de ergste problemen worden geëxporteerd naar de ontwikkelingslanden, maar vanwege de vaak uiterst negatieve toon van deze films en berichten blijven de kijkers en lezers vaak zitten met een gevoel van onmacht, van apathie zelfs. Machteloosheid, het gevoel dat je het systeem toch niet kunt veranderen, is het basale kenmerk van vervreemding en een gevolg van de kloof tussen productie en consumptie.
Veel producenten reageren niet cynisch of apathisch, maar juist agressief op de kloof. Ze zeggen: ‘O, wat is de consument toch dom’ of ‘Wat is de consument toch een emotioneel en irrationeel wezen’. Fresco (2012) beweert: ‘het is pervers dat de consument zoveel wil’ – te veel dierenwelzijn, te veel regulering van genetische modificatie, te veel nostalgie en te veel goed eten. Aan beide kanten is het vertrouwen weg, er is geen gesprek mogelijk en de voedselproductie wordt steeds meer gestuurd door wantrouwen, manipulatie en kortetermijnbelangen.
Drie intuïties: voedselvaardigheden, voedseldemocratie en voedselkwaliteit
Met dit boek wil ik de kloof tussen producenten en consumenten filosofisch en dus ook ethisch aanpakken. Daarvoor is eerst een goed gefundeerd overzicht van de complexiteit nodig en vervolgens geef ik mogelijkheden om die kloof te overbruggen. Ik heb drie intuïties die ik in de loop van dit betoog verder zal uitwerken. Ten eerste: burgerconsumenten (in het vervolg: consumenten) beschikken over een enorme kracht om de kloof te overbruggen, mits ze zich onder de juiste omstandigheden los kunnen maken van bepaalde remmende factoren. Ze kunnen dit doen door aan hun voedselvaardigheden te werken: door hun kennis, morele houding en esthetisch gevoel te ontwikkelen bij de keuze van ingrediënten, door lekker te koken en door lekkere maaltijden te maken waarmee ze sociale verbindingen versterken. Ten tweede kunnen deze vaardigheden alleen opbloeien in maatschappelijke netwerken en instituties, die overheden via voedseldemocratie stimuleren. Een derde intuïtie is dat alles wat met voeding te maken heeft, zowel natuur als cultuur, zowel feit als norm, zowel kwantiteit als kwaliteit, zowel product als proces is. Alleen rekening houden met kwantiteit, bijvoorbeeld met voedselzekerheid (genoeg te eten), leidt tot niets als niet ook de culturele waardering van voeding en van de voedselproductie wordt meegenomen. Adviezen om bepaalde gezonde voedingsmiddelen te eten zonder rekening te houden met de manier waarop mensen eten (en daarin van elkaar verschillen), zijn adviezen zonder verdere consequenties. Voeding is het natuurlijkste en meest sociale dat er is. Verhalen over mooie toekomstige voedselproducten leiden tot niets zonder begeleidende verhalen over de productieprocessen en hun betekenis voor milieu, landschap, steden, boeren en consumenten. Ik vermoed dat de huidige kloof alleen maar breder wordt als deze drie intuïties niet verder worden uitgewerkt en worden geleefd.
