Menu

Zoek op
rubriek
Klimaatweb
0

Hoe het Rijk het kip-ei-dilemma van de energietransitie doorbreekt

Om de energietransitie in Nederland op stoom te krijgen moeten we het kip-ei dilemma oplossen, vooral bij het aanleggen van infrastructuur voor duurzame energie en de verduurzaming van de energie-intensieve industriesector. Er bestaan grote onzekerheden rondom investeringen. Bedrijven moeten investeringsbesluiten nemen om minder CO₂ uit te stoten in hun productieprocessen, zonder de garantie dat de benodigde groene energie en infrastructuur voor een groen productieproces op tijd aanwezig is. Hetzelfde geldt voor netbeheerders die het elektriciteits- of waterstofnetwerk grootschalig moeten uitbreiden, zonder zekerheid of en waar de afname van de industrie plaatsvindt.

1 april 2022

Dit kip-ei-dilemma was in 2020 voor toenmalig minister Wiebes van Economische Zaken – op advies van de Taskforce Infrastructuur en Klimaatakkoord - aanleiding de regie voor het plannen en coördineren van een nieuwe, toekomstbestendige energie-infrastructuur neer te leggen bij het Rijk. De overheid pakte die regierol voortvarend op. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat, kortweg MIEK, zijn in november 2021 projecten vastgesteld die het Rijk versneld wil realiseren. Het gaat onder andere om het aanleggen van elektriciteitsinfrastructuur van netbeheerder TenneT, waterstofleidingen voor Gasunie en het opvangen en opslaan van CO₂ in lege gasvelden in de Noordzee (CCS-pijpleidingeninfrastructuur).

Met het aanwijzen van de eerste MIEK-projecten trekt het Rijk deze ontwikkeling in gang. Er komt meer zekerheid dat de infrastructuur die de grote industrieclusters van genoeg groene energie moet voorzien, op tijd wordt aangelegd. Een grote stap om het kip-ei-dilemma in de energietransitie te doorbreken en de onzekerheden in het energiesysteem te verkleinen.

Projecten met voorrang

MIEK en het uitvoerende Programma Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI) richten zich eerst op de energie-intensieve industrie, en later op de mobiliteitssector en de woningmarkt, waar de energie-infrastructuur ook knelt. Door die prioritering helpt het MIEK netbeheerders projecten met voorrang te realiseren en hun beperkte uitvoeringscapaciteit gericht in te zetten. Het uitgangspunt is dat de meeste milieuwinst te behalen is bij de zes grote industrieclusters (Eemshaven en Delfzijl, het Noordzeekanaalgebied tussen IJmuiden en Amsterdam, Rotterdam-Moerdijk, de Schelde-Delta Regio in Zeeland, Chemelot in Limburg en het ‘zesde cluster’ met niet-geclusterde energie-intensieve industrie). Door gebruik te maken van de MIEK-projecten kan deze industrie een groot deel van de CO₂-reductiedoelstellingen van 2030 behalen. Vanaf 2022 worden nadrukkelijk ook infrastructuurprojecten voor andere sectoren, zoals mobiliteit en gebouwde omgeving, toegevoegd aan het MIEK.

Knelpunten wegnemen

De realisatie van energie-infrastructuurprojecten heeft normaliter een looptijd van 8-10 jaar. Maar haast is geboden. Er is grote urgentie om voor 2030 al de benodigde infrastructuur gerealiseerd te hebben. Als versnelling in aanlooptijd en procedures niet mogelijk is, worden de MIEK-projecten waarschijnlijk te laat gerealiseerd en de klimaatdoelstellingen niet gehaald. De overheid ondersteunt de realisatie van MIEK-projecten bijvoorbeeld door het geven van garanties en daarmee wegnemen van risico’s, maar ook heel concreet door te investeren in capaciteit bij vergunningverlening.

Het Rijk wil knelpunten in de doorlooptijd van projecten wegnemen. Denk daarbij aan het ondersteunen van ruimtelijke procedures (vergunningen), maar ook het reserveren van ruimte voor bovengrondse infrastructuur, zoals 380kV-transformatorstations. Daarbij moet er ook aandacht zijn voor maatschappelijk draagvlak. Dit betekent heldere, tijdige en eerlijke communicatie over de impact van de benodigde infrastructuur.

De manier van samenwerken binnen PIDI, waarin het Rijk, netbeheerders, decentrale overheden en bedrijven allen hun verantwoordelijkheid nemen, is cruciaal om de MIEK-projecten op tijd te realiseren. Succesvolle samenwerking binnen PIDI vraagt van al deze partijen continu aanpassing, compromissen en begrip voor ieders standpunten, maar vooral acceptatie dat het anders moet en soms pijnlijke besluiten vraagt – van elke betrokken partij. De grootste taak voor PIDI is te zorgen dat in het overleg en de manier van samenwerken ruimte is en blijft voor begrip, actie en compromis.

Stapsgewijs en met voortschrijdend inzicht

Tot slot: het is erg lastig om nu een definitief en perfect plan te maken voor ‘het energiesysteem van de toekomst’. Omdat de scenario’s constant veranderen door bijvoorbeeld nieuwe technologieën, is er simpelweg nog geen volledig beeld van hoe het systeem na 2030 eruit moet zien. Gasunie en TenneT werken aan deze scenario’s met II3050, maar het is een grote uitdaging om II3050 toe te passen in de praktijk. Idealiter bouwen we nu stapsgewijs en met voortschrijdend inzicht een systeem met voldoende mogelijkheden om in de toekomst makkelijk verbindingen te maken met waterstofproductie en -transport, de windparken en netten op zee en de koppeling van het nationaal systeem met dat van Europa. Echter, de urgentie voor de korte termijn vraagt nu om keuzes, een plan en concrete actie op weg naar een duurzame, toekomstbestendige energie-infrastructuur.

Reacties

Laat een reactie achter