Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Hoe richten we het Nederland van de toekomst in? Het belang van energieplanologie

De kans is groot dat de energietransitie gaat bepalen hoe Nederland er de komende decennia uit gaat zien. Dat is onvermijdelijk én onwenselijk. Het recente essay over energieplanologie pelt dit dilemma af. Deskundigen uit de wereld van energie, water en ruimte roepen andere professionals op om mee te denken: hoe kunnen we beter samenwerken? Lees hier de kern van het essay of download het gehele bestand.

26 February 2026

Tot 2040 investeren netbeheerders naar verwachting zo’n 220 miljard euro in de uitbreiding en versterking van de energie-infrastructuur. Deze investeringen leggen zowel bovengronds (bijvoorbeeld hoogspanningsmasten, aanlandingspunten voor wind en transformatorhuisjes in de wijk) als ondergronds een aanzienlijke claim op de ruimte. Ook de komst van grootschalige zonnevelden, windmolens, zonnepanelen op daken en oplaadpunten voor elektrische auto’s maakt de ruimtelijke impact van de energietransitie steeds sterker.

Nieuwe manier van denken

De fysieke impact van energie-infrastructuur is groot, maar de werkelijke invloed reikt veel verder. Netcongestie laat ons in ieder geval al één ding zien en voelen: de tijd dat energie overal en altijd beschikbaar was, ligt achter ons. Door de beperkte netcapaciteit wordt de keuze voor nieuwe infrastructuur al snel een aanjager van ruimtelijk‑economische ontwikkelingen. Want waar een aansluiting komt, volgen industriële grootverbruikers, woningbouwprojecten en nieuwe bedrijvigheid.

Neem het voorbeeld van een bedrijf dat wil uitbreiden in een kwetsbaar natuurgebied. Wanneer de netbeheerder besluit daar kabels en stations aan te leggen, creëert dat extra elektrisch vermogen. Er ontstaat dan vrijwel automatisch ruimte voor verdere woningbouw en economische activiteit. Energie is daarmee niet langer een puur technisch inpassingsvraagstuk, maar een sturende factor in de ruimtelijke ordening. Dat vraagt om een nieuwe manier van werken: energieplanologie. Een aanpak waarin ruimtelijke ontwikkeling en de inrichting van een robuust, toekomstbestendig energiesysteem niet náást elkaar plaatsvinden, maar onlosmakelijk met elkaar zijn verweven. Volgen we die aanpak niet, dan is de kans heel groot dat het energiesysteem ons voor voldongen feiten stelt. De ingenieurs zitten aan de knoppen en kijken alleen naar wat voor het energiesysteem logisch is, zonder rekening te houden met de ruimtelijke consequenties.

Slimme investeringen

In een land waar ruimte schaars is en belangen elkaar steeds vaker raken – denk aan woningbouw, stikstofreductie, drinkwater, klimaatadaptatie – zijn scherpe keuzes essentieel. Niet alles kan overal. Ruimtelijke regie is nodig: één plek waar alle sectorale belangen samenkomen en richting krijgen.

We zijn gewend overal altijd maar infrastructuur aan te leggen, maar dat kan niet langer. De ruimte en capaciteit zijn beperkt, waardoor we slimme, logische plekken moeten kiezen om te investeren. Vasthouden aan het idee dat energie altijd en overal beschikbaar moet zijn, leidt tot inefficiënties en kostbare desinvesteringen – alsof je een snelweg aanlegt voor een popconcert dat één keer per jaar plaatsvindt. Zo’n manier van redeneren is simpelweg niet houdbaar. Daarom moeten we keuzes maken: waar willen we als maatschappij wél zulke ‘popconcerten’ mogelijk maken, en waar niet? Dáár wordt dan de infrastructuur aangelegd.

Bouwstenen om orde te scheppen

Al met al gaat het om een complex systeem. Binnen diverse sectoren worden ambities geformuleerd, plannen gesmeed en eisen gesteld. Vaak zonder zich rekenschap te geven van de ruimtelijke én de energetische consequenties. Maar bij de vormgeving van de energietransitie zijn we druk bezig met de vraag hoe decentraal het energiesysteem van de toekomst wordt, welke energiedragers voor welk percentage in de gevraagde energie gaan voorzien en welke beleidsinterventies nodig zijn om dit allemaal voor elkaar te krijgen zonder zicht te hebben op de ruimtelijke consequenties. In het ruimtelijke domein bedenken we waar de nieuwe woningen moeten komen, hoe wel of niet ruimte te maken voor economische activiteiten en waar de nieuwe spoorverbindingen moeten komen, zonder dat we ons de vraag stellen of al die woningen nog verwarmd kunnen worden en de bedrijven op de gedroomde bedrijventerreinen nog stroom gaan krijgen. En hier doorheen lopen ook nog de beperkingen die ons opgelegd worden vanuit waterveiligheid en bodem.

Hoe kunnen we enige orde scheppen in deze complexiteit? Hoe krijgen we zicht op de essentiële keuzes? Hoe kunnen we die keuzes in samenhang nemen? In dit artikel reiken we drie bouwstenen aan die hierbij kunnen helpen.

De energiestrateeg en de ruimtestrateeg als belangrijke gidsen

Het energiesysteem is voor velen nog een black box. Het territorium van de ingenieur die op – zo lijkt het – zuiver technische gronden nog een keer uitlegt waarom maar één oplossing de juiste is. We hebben een energiestrateeg nodig die de black box van het energiesysteem inzichtelijk maakt voor stakeholders, beleidsmakers, bestuurders en de ruimtestrateeg. Diens taak is om de impact van verduurzamingskeuzes op het energiesysteem én de ruimte te duiden en energie als structurerende factor mee te nemen in ruimtelijke plannen. De energiestrateeg creëert overzicht in infrastructuur, wijst op dilemma’s en kantelpunten en biedt handelingsperspectief aan industrie, ontwikkelaars en overheden. Door proactief samen te werken met andere sectoren zorgt hij/zij dat energie vroeg in het proces onderdeel is van gebiedsvisies en ruimtelijke ordening.

Als tegenhanger van de energiestrateeg pleiten we ook voor de ruimtestrateeg. Hij/zij verbindt maatschappelijke opgaven met het toekomstige energiesysteem. Hij/zij bundelt sectorale belangen in ruimtelijke toekomstbeelden en maakt samen met de energiestrateeg duidelijk welke ruimtelijke en energetische consequenties die belangen dan hebben. Zo geeft hij/zij inzicht in richtinggevende beslissingen voor de inrichting van Nederland. De ruimtestrateeg is visionair en sterk in ontwerp, zoekt naar verbindingen en slimme combinaties in een schaarse ruimte en durft te wijzen op wat wel en niet kan. Door vroegtijdig samen te werken en energie als structurerende factor mee te nemen, creëert hij/zij robuuste oplossingen die maatschappelijke opgaven en energietransitie in samenhang vormgeven.

Lopen doe je op twee benen

Geert Teisman schreef eerder in een ander artikel dat we in elke transitie lopen op twee benen: een formeel en een informeel been. Het formele been regelt de governance. Het vraagt om een heldere structuur die faciliteert dat beslissingen inderdaad worden genomen, zorgen voor verankering en juridische doorwerking en die uitstel van beslissingen actief ontmoedigt. Het informele been faciliteert het gesprek tussen professionals in een vrije ruimte, los van enge belangen en op zoek naar verdieping, begrip en een begaanbare weg met voldoende draagvlak. De informele setting maakt gelijkwaardig samenwerken mogelijk.

Het formele been

In elk transitieproces sturen we zonder alles te weten en zonder alles te overzien. Voor de energietransitie geldt dat eveneens. Dat komt doordat innovatie niet stilstaat en steeds weer nieuwe perspectieven opent. Prijzen van energie bijvoorbeeld, zijn sterk afhankelijk van internationale ontwikkelingen. We sturen dus in onzekerheid en rijden door de mist. Maar als we geen beslissingen nemen, wordt de mist alleen maar dikker. De formele governance moet ons dwingen tot het nemen van beslissingen, wetende dat we telkens weer incrementeel afwegingen blijven maken.

Het energiesysteem van de toekomst zal een sterke decentrale logica kennen. De oude situatie waarin het systeem sterk centraal gestuurd kon worden met een hoop regelbaar vermogen aan de top (bijvoorbeeld gascentrales aan of uit) is niet meer. Lokaal wordt steeds meer energie opgewekt. Pieken worden nog sterker door het gedrag van de eindgebruiker bepaald (denk aan elektrisch laden en warmtepompen). Zon en wind als voornaamste energiebronnen vragen om steeds meer flexibiliteit. Wie een dergelijk systeem stabieler wil maken, moet afhankelijkheden zo veel mogelijk verkleinen en gebruik en opwek op elk schaalniveau zo veel mogelijk balanceren. Dat begint al thuis. Daarna in de straat. In de buurt. In de gemeente. In de regio. Enzovoorts. Op die manier wordt het systeem van onderop opgebouwd en kent daarmee een sterke decentrale logica.

Tegelijk weten we dat centrale invoeding zal blijven. Mede afhankelijk van de vraag hoeveel industrie in Nederland blijft, zal het nog steeds gaan om een aanzienlijk percentage van onze energievoorziening (naar schatting 30 tot 40 procent). Energie die van de Noordzee komt, wellicht uit de Sahara of uit fabrieken die synthetisch gas maken. Centrale invoeding brengt grote verdelingsvragen met zich mee en kent vanuit haar aard een sterk centralistische logica.

Beide logica’s zullen blijven bestaan en beiden hebben hun eigen merites. Wellicht dat ingenieurs en andere systeemdenkers denken dat ze deze twee logica’s kunnen verzoenen, maar mijn voorspelling is dat ze gaan botsen. De kunst van een goede governance is deze botsing te orkestreren en inzicht te hebben in de ruimtelijke consequenties. De decentrale logica waarbij zo veel mogelijk lokaal wordt opgelost, brengt energie dicht bij huis. De echte grote ruimtelijke gevolgen van fossiel zijn voor de meeste mensen ver van huis. Denk bijvoorbeeld aan de oliewinning in Nigeria die enorme gebieden feitelijk onbewoonbaar maakt of, dichter bij huis, de verzakkingen in Groningen als gevolg van gaswinning. Duurzame energiebronnen (windmolens, zonnevelden, buurtbatterijen) komen, zo vindt een deel van de Nederlanders, akelig dichtbij. Maar ook meer centrale invoeding (centrale logica) zal energie dichterbij brengen. Wind op zee vraagt om grote ‘stopcontacten’ om gelijkstroom om te zetten naar wisselstroom. En elektrolysers moeten ruimtelijk ingepast worden in gebieden waar het al heel druk is. Kortom, wanneer beide logica’s botsen, is inzicht in de ruimtelijke consequenties essentieel.

De vrije ruimte: het informele been

Het orkestreren is niet alleen iets dat in het formele been van Teisman gebeurt. Sterker nog, het andere been, het informele been, is daarbij heel hard nodig. Daarbij verwijst Teisman naar het organiseren van een ‘tussenruimte’ (of ‘vrije ruimte’). Deze ruimte moet vrij zijn van macht. De vrije ruimte is een plek buiten de formele governance waar nieuwsgierigheid en professionele autonomie centraal staan. Hier spreken experts vrijuit en zonder belang, verkennen alternatieven en verbinden kennis voordat alles vastligt. Dit is cruciaal om richtinggevende keuzes te kunnen maken in complexe opgaven rond energie en ruimte. In plaats van controle en beheersing vraagt de vrije ruimte om vertrouwen en loslaten. Het is geen vrijblijvende zone: theorie en praktijk komen samen in concrete casussen en ontwerpend onderzoek. Zo ontstaat een netwerk waarin ruimtestrategen en energiestrategen elkaar vinden en samen werken aan robuuste oplossingen.

Begin van een zoektocht

Energie erkennen als structurerende factor voor ruimtelijke ontwikkelingen kan aanvoelen als een open deur. Tegelijk zijn de implicaties groot en maakt het de ruimtelijke planning nog complexer en meer gelaagd. In de reacties tot nu toe merken we dat het woord energieplanologie sterk resoneert. En gelukkig maar. Ik denk dat we nog maar aan het begin staan van een zoektocht hoe we energie en ruimte dichter bij elkaar krijgen.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.