Het Innovatiefonds van de EU heeft veel potentie om het concurrentievermogen te versterken en klimaatverandering aan te pakken. Dit potentieel wordt echter afgeremd doordat het fonds te langzaam wordt ingezet. Dat is de belangrijkste conclusie van een nieuw verslag van de Europese Rekenkamer (ERK).

Met een geschat budget van 40 miljard euro tot 2030 moet het fonds schone technologieën op de markt brengen en de overgang naar een klimaatneutrale economie ondersteunen. Het fonds is echter nog maar beperkt gebruikt en levert slechts een bescheiden bijdrage aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen.
Het Innovatiefonds werd gelanceerd in 2020. Het is een van ‘s werelds grootste programma’s voor het versterken van het concurrentievermogen van de schone technologiesector door innovatieve nettonultechnologieën op te schalen. Het fonds ondersteunt de overgang naar een klimaatneutrale economie door projecten te financieren in energie-intensieve industrieën, hernieuwbare energie, energieopslag en waterstof, alsook op het gebied van koolstofafvang, -gebruik en -opslag.
Met het oog op de toekomst is het belangrijk om de resultaten van het Innovatiefonds te evalueren. De geleerde lessen kunnen helpen om het fonds te verbeteren en richting geven aan het ontwerp van de voorgestelde 451 miljard euro voor het nieuwe Europees Fonds voor concurrentievermogen in de volgende EU-langetermijnbegroting voor 2028-2034. Ook dat fonds heeft als doel innovaties in strategische technologieën op te schalen.
“Het Innovatiefonds heeft veel potentie om de innovatie in schone technologie en de concurrentiekracht van de EU te versterken en tegelijk de uitstoot van broeikasgassen te verminderen”, zegt João Leão, het ERK-lid dat verantwoordelijk is voor de controle. “Maar de langzame uitvoering, grote vertragingen en annuleringen van projecten hebben de resultaten tot nu toe beperkt. Om de impact te vergroten zal de EU duidelijke strategische keuzes moeten maken. Daarnaast moet geld sneller worden ingezet en moeten projecten realistischer worden beoordeeld.”
Eind juni 2025, bijna vijf jaar na de lancering van het Innovatiefonds, was er maar 332 miljoen euro aan projecten uitbetaald. Dat is minder dan 1 procent van de totale begroting van het fonds. Deze trage inzet komt deels door de manier waarop het fonds wordt gefinancierd: via het EU-emissiehandelssysteem.
Omdat dergelijke inkomsten afhangen van de koolstofmarktprijzen, is de beschikbare financiering per definitie onzeker. Bovendien bestaat er geen mechanisme dat een minimumniveau aan middelen garandeert. Die onzekerheid beïnvloedt de inzet van financiering en uiteindelijk ook het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Samen met de lange ontwikkelingstijd van projecten heeft dit ertoe geleid dat grote bedragen zich hebben opgestapeld zonder dat ze zijn uitgegeven. Om dit te verhelpen roepen de auditors op om extra maatregelen te overwegen die de begrotingsplanning kunnen versterken en een snellere inzet van fondsen mogelijk maken.
Veel van de projecten die de auditors selecteerden zijn vertraagd, en ongeveer één op de vijf strandt voordat het operationeel wordt, ook al hanteert de Europese Commissie de vereiste selectiecriteria en verlopen de procedures over het algemeen tijdig en worden ze goed gedocumenteerd. De verwachte uitstootreducties, een belangrijk criterium bij de projectselectie, worden berekend op basis van theoretische veronderstellingen. Volgens de auditors kan deze aanpak leiden tot te optimistische voorspellingen en invloed hebben op welke projecten financiering krijgen.
Tegen het einde van 2024 rapporteerden slechts vijf van de 208 gefinancierde projecten dat de broeikasgasuitstoot was verminderd. In totaal bereikte de projectportefeuille van het fonds minder dan 5 % van de verwachte emissiereducties. Tegen deze achtergrond constateerden de auditors ook zwakke punten in de beoordeling van de rijpheid van projecten. Verschillende projecten die aanvankelijk als voldoende rijp waren beoordeeld, werden later geannuleerd of liepen vertraging op. Dit wijst erop dat de rijpheidscontroles niet altijd de daadwerkelijke gereedheid van de projecten weerspiegelden, wat leidde tot uitstel van deadlines en vertragingen in de uitvoering. De Commissie moet de methoden voor projectevaluatie verbeteren en onderzoeken of meer flexibiliteit nodig is.
De auditors ontdekten ook dat de Commissie geen consistente strategie heeft voor de toewijzing van geld uit het Innovatiefonds. Sinds 2022 wordt financiering steeds vaker gericht op nieuwe beleidsprioriteiten, zoals waterstof en batterijen. Deze verschuiving werd echter niet ondersteund door een duidelijke strategische analyse van het potentieel van deze technologieën om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Ook hun bijdrage aan de industriële en strategische doelstellingen van de EU werd niet goed in kaart gebracht.
Het emissiehandelssysteem (ETS) van de EU omvat duizenden elektriciteitscentrales en industriële installaties in de Europese Economische Ruimte en wordt algemeen beschouwd als de grootste koolstofmarkt ter wereld.
In het kader van haar “cap-and-trade”-aanpak stelt de EU een limiet vast voor de totale uitstoot van bepaalde sectoren, zoals elektriciteits- en warmteopwekking, industriële productie, luchtvaart en zeevervoer. Bedrijven moeten voor elke ton CO₂ die ze uitstoten emissierechten hebben, die ze op een koolstofmarkt kunnen verhandelen. Dit leidt tot een prijs voor emissies, in overeenstemming met het beginsel “de vervuiler betaalt”. Aangezien de limiet elk jaar wordt verlaagd, zijn er minder emissierechten beschikbaar, waardoor de emissies dalen en bedrijven worden gestimuleerd om te investeren in schonere technologieën.
Het Innovatiefonds verving het vorige NER300-programma en breidde het uit. Dit programma ondersteunde projecten op het gebied van hernieuwbare energie en koolstofafvang.
De auditors onderzochten of het Innovatiefonds de opschaling van innovatieve demonstratieprojecten doeltreffend ondersteunt. In deze grootschalige proefprojecten worden nieuwe technologieën getest in echte industriële of energiesystemen voordat ze commercieel worden uitgerold. Daarnaast beoordeelden de auditors of het fonds heeft bijgedragen aan het EU-doel van decarbonisatie. De controle had betrekking op de periode van 2020 tot juni 2025 en bestond uit bezoeken aan zeven projecten in Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje.
