Menu

Zoek op
rubriek
Klimaatweb
0

Voorpublicatie: De theorie van warmte, Een geschiedenis van de wetenschap achter klimaatverandering

Op 25 oktober verschijnt De theorie van warmte, Een geschiedenis van de wetenschap achter klimaatverandering van Klimaatblogger Hans Custers. Custers legt uit wat klimaatverandering inhoudt, op een ook voor leken begrijpelijke en aantrekkelijke manier. Hij beperkt zich niet tot de technische kant van de zaak, maar vertelt over de ontstaansgeschiedenis van de wetenschap die ons inzicht verschaft in wat er om ons heen, en ook vooral boven ons gebeurt. Lees hier alvast een voorproefje.

18 oktober 2022

Voorpublicaties

Voorpublicaties

In het najaar van 1939 stond er in verschillende Nederlandse kranten een kort artikeltje over een presentatie die de Zweedse geoloog Hans Ahlmann (1889-1974) had gehouden in Stockholm. Ahlmann was net terug van een expeditie naar het oosten van Groenland en had daar geconstateerd dat de meeste gletsjers kleiner werden, zoals dat ook elders op de wereld werd waargenomen. Het Algemeen Dagblad concludeerde dat het klimaat ‘geleidelijk zachter’ werd. En De Tijd schreef: ‘Alles duidt erop, dat het klimaat in dit gebied verbeterd is, ten nadeele der gletsjers’. De Tijd sloot het bericht af met de conclusie van Ahlmann dat deze gletsjers ‘voor hun ondergang staan’.

Klimaatverandering of klimaatverbetering?

De onheilspellende slotzin uit De Tijd zou achteraf beschouwd kunnen worden als aanwijzing dat er barstjes begonnen te ontstaan in het optimisme over een mogelijke opwarming van het klimaat. Sommige wetenschappers vroegen zich af of die opwarming wel echt als een verbetering beschouwd moest worden. Een mogelijke zeespiegelstijging, als gevolg van het smelten van gletsjers en ijskappen, was de belangrijkste bron van zorg. De Groningse professor geologie Philip Henry Kuenen (1902-1976) was in Nederland een van de eersten die dat onderwerp aankaartten. In 1941 schreef hij in een artikel in vakblad Geologie en Mijnbouw: ‘Men zou kunnen meenen, dat [...] een voortgaande verbetering van het klimaat al gauw tot een rampspoedige stijging van het zeeniveau aanleiding zou geven’. Het was een rampscenario dat hem niet erg aannemelijk leek, omdat hij aannam dat er sprake was van een natuurlijke cyclus in het klimaat. Na de waargenomen opwarming zou er wel weer een periode van afkoeling volgen. Toch kwam hij in de jaren daarna nog meermaals terug op dat rampscenario. In 1945 berekende hij dat de verandering van de waterhoogte voor de Nederlandse kust in de voorgaande de- 94 cennia in ongeveer gelijke mate veroorzaakt werd door de daling van de bodem en door de gestegen zeespiegel. In het artikel hierover in het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap vermeldde hij ook de geschatte zeespiegelstijging als de ijskappen van Antarctica en Groenland volledig zouden smelten. Volgens de huidige kennis is dat zo’n vijfenzestig meter; Kuenen zat iets lager met veertig tot vijftig meter.

In 1954 sprak hij op een congres over veranderingen van de zeespiegel in de geologische geschiedenis van Nederland – een bijzonder actueel onderwerp na de watersnood van 1953 – zelfs van een zwaard van Damocles dat boven Nederland zou hangen. Hij voegde er wel aan toe daar zelf niet zo pessimistisch over te zijn. Onder de toehoorders bevond zich in elk geval één wetenschapper die oog had voor de ideeën van Callendar: de Utrechtse hoogleraar geologie Martin Rutten (1910-1970). In 1951 had hij er een artikel over geschreven voor De Groene, vermoedelijk het allereerste in de Nederlandse pers waar de risico’s van de menselijke invloed op het klimaat worden genoemd. Hij sloot het zo af: ‘Niet langer is de variatie van het klimaat uitsluitend een gevolg van veranderingen in de aardbaan of van dergelijke, geheel buiten onze invloed liggende factoren. Nee, volgens Callendar zouden wij zelf dus druk bezig zijn, om met onze potkacheltjes en onze electrische [sic] centrales, met onze benzine- en dieselmotoren, de aarde stiekum [sic] weg op te warmen. Zonder het zelf te weten, stoken wij dus het laatste restje van de ijstijd weg, en veranderen daarmede op de meest ingrijpende wijze het aangezicht der aarde. Of het waar is, ik weet het niet, maar het is aardig gevonden.’

In de discussie na de presentatie van Kuenen verwees Rutten ook naar Callendar, maar veel bijval kreeg hij niet. Het is de enige verwijzing naar Callendar of de menselijke invloed op het klimaat die terug te vinden is in het bijna honderddertig pagina’s tellende verslag van het symposium in het tijdschrift Geologie en Mijnbouw. Menselijke broeikasgassen blijven dan ook onvermeld in de aanbevelingen van symposiumvoorzitter A.J. Pannekoek aan het eind van dat verslag. Ironisch genoeg staat direct onder die aanbevelingen het overzicht van de productiecijfers van Nederlandse Delfstoffen, zoals 95 dat in elk nummer van Geologie en Mijnbouw werd gegeven. De mijnwerkers in Zuid-Limburg haalden in die tijd elke maand een miljoen ton steenkool naar boven.

Benieuwd?

Het boek is vanaf 27 oktober in onze bookshop te bestellen.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter