Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Biobased bouwen kan de landbouwtransitie ontketenen

Schaalvergroting van de biobased sector komt in Nederland nog niet echt van de grond. Wat is nodig om dat te veranderen? En waar liggen de kansen? PONT interviewde Jan Willem van de Groep. “We hebben 150.000 hectare landbouwgrond nodig, om de hele bouwsector te dekken in de in de behoefte aan vezels. In Nederland is er 1,8 miljoen hectare landbouwgrond.”

2 april 2024

In november 2023 is er door de overheid een bedrag van 200 miljoen gereserveerd om de opschaling in de biobased-sector te stimuleren.

Een groot deel van de huidige bouwmaterialen moet vervangen worden door biobased varianten en daarmee bijdragen aan CO2-reductie in de bouw en aan de doelen van de circulaire economie. Het geld komt uit het klimaatfonds en moet onder de naam Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB) zorgen dat er een nationale markt ontstaat waarbij de vraag van de bouwsector en het aanbod van de landbouwsector in balans komen.

Jan Willem van de Groep is aangewezen als programmaregisseur van Building Balance, de uitvoeringsorganisatie van het landelijk programma. Daarmee is hij medeverantwoordelijk voor de beoogde schaalvergroting van de biobased bouwindustrie in Nederland.

Wat kan je groeien?

Volgens Van de Groep bestaat biobased bouwen al honderden jaren, waardoor er geen twijfel hoeft te zijn over de kwaliteit ervan. “In heel veel landen wordt al biobased gebouwd en veel van onze monumenten bestaan ook uit hout en biobased materialen. Bij restauraties zie je vaak stro en riet in de container liggen dat al 150 tot 200 jaar oud is, dat is nog prima te hergebruiken.”

Grondstoffen voor isolatiemateriaal, plaatmateriaal en composieten – de combinatie van een vezel met een bindmiddel – kunnen allemaal in Nederland groeien. “Daarnaast is er nog strobouw, de meest pure vorm van biobased bouwen. Ook is er de vergaande extractie van planten, waarbij de plant uit elkaar wordt gehaald tot er cellulose, lignine en voedingsstoffen over zijn”, zegt Van de Groep. Lignine is een grondstof die in de chemische industrie wordt gebruikt en in de bouwsector de grondstof voor bijvoorbeeld biobased asfalt of bindmiddelen.

Naast vezels is hout ook een belangrijke biobased grondstof voor de bouw. “Hout kan staal en beton vervangen. Ik denk dat onderdelen van bouwwerken beton en staal nodig blijven hebben, maar een groot deel van de bouwcomponenten zijn te maken met biologische materialen”, zegt Van de Groep. “Ik schat dat zo’n zeventig procent van de materialen uiteindelijk vervangen kan worden door biobased materialen.”

Anders bouwen, ontwerpen en wonen

Bij werken met andere materialen komen andere ontwerp- en bouwvraagstukken kijken. De transitie naar biobased vraagt daarom ook gedragsverandering bij de ontwerpers van de huizen en wijken van de toekomst.

Van de Groep: “Biobased materialen leggen restricties op de manier waarop we ontwerpen. Planologen en stedenbouwers zullen nadrukkelijk moeten gaan nadenken over een stedenbouwkundigontwerp waarbij ze uitgaan van de eigenschappen van de materialen die beschikbaar zijn. Waarbij ze meenemen dat niet alles zomaar te maken is, zoals bij beton en staal. Het legt in die zin een ander vraagstuk neer bij het ontwerpen van de stad.”

Deze gedragsverandering is volgens Van de Groep ook meteen de grootste uitdaging, de hele bouwsector moet op een andere manier gaan werken. “De bouwsector bestaat uit vakmensen, daar zit een sterke cultuur omheen. Waar ze goed in zijn moeten ze opnieuw leren, wat betekent dat ze even geen expert meer zijn. Dat maakt een cultuuromslag lastig. Daarnaast wordt impliciet de boodschap gegeven dat de manier waarop al die tijd is gewerkt, niet goed was. Het is een kwestie van daar op een zorgvuldige manier mee om gaan en daar ook respect voor hebben.”

Ander materiaalgebruik betekent niet alleen anders ontwerpen, de woonervaring in een biobased huis schijnt heel anders te zijn. “Als je het hebt over de kwaliteit van wooncomfort en gezondheid is het veel beter dan minerale bouw. Deze natuurlijke materialen hebben geen mogelijke emissies meer als ze als grondstof gebruikt zijn ten opzichte van chemische materialen”, zegt Van de Groep.

“Biobased huizen hebben daarnaast het voordeel dat je er dampopen mee kan bouwen, dat betekent dat er interactie is tussen de temperatuur en luchtvochtigheid met buiten. Hierdoor voelt de temperatuur anders, kan de thermostaat lager en is er sprake van hoog comfort.”

Het kip-en-ei-probleem

Het bedrag van 200 miljoen euro uit het klimaatfonds moet het kip-en-ei-probleem doorbreken waar de biobased sector last van heeft. Er moet in Nederland een markt ontstaan waarbij de afnemer genoeg, betaalbaar product heeft en de boer zekerheid heeft dat de oogst wordt afgenomen tegen een goede prijs. “Een aantal gewassen leveren voor de boer te weinig op, en kosten te veel aan de bouwkant. Er is schaalvergroting nodig om dat op te lossen”, zegt Van de Groep.

Hiervoor moeten nieuwe ketens worden gevormd tussen de agrarische sector, de industrie en de bouw. “Een deel van het geld gaat als subsidie naar de landbouw om boeren te activeren om met biobased teelt aan de slag te gaan”, zegt Van de Groep. “Daarnaast is er weinig verwerkende industrie in Nederland, daar zijn ook subsidiemiddelen voor beschikbaar. En aan de bouwkant ligt de focus vooral op het zorgen dat de vraag naar biobased materiaal ontstaat op een schaalgrootte waarmee het aantrekkelijk genoeg wordt te industrialiseren.”

Bouwen en CO2 opslaan tegelijk

In de bouw moet in 2030 een groot deel van de CO2-uitstoot terug worden gedrongen. “Als we kijken naar de CO2-uitstoot van de bouwopgave, zouden we moeten stoppen met bouwen bij 360.000 woningen. We hebben daarvan al zo een 180.000 woningen gebouwd. Als we door willen blijven bouwen, dan moet dat met een steeds kleinere CO2-footprint”, zegt Van de Groep. Biobased bouwen draagt op twee manieren bij aan het reduceren van CO2, het verdringt CO2-intensieve materialen en slaat daarnaast, tijdens de groei, CO2 op in de materialen.

De winst van CO2-opslag in het gewas kan volgens Van de Groep landen bij de boer, omdat het uit de lucht halen en opslaan van CO2 geld waard is. “We zijn nu aan het kijken hoe we de koolstofopslag die door boeren plaatsvindt kunnen waarderen.”

Het ministerie van Landbouw heeft opdracht gegeven om een generieke methode voor certificering te ontwikkelen. Van de Groep: “Die generieke methode beschrijft eigenlijk de manier waarop een verwerker koolstof certificaten kan minen. We zijn nu projectplannen aan het maken voor stro in inblaas-isolatie. Als volgend jaar die oogst gebruikt gaat worden, kunnen koolstof certificaten daarvan gemined worden.”

Volgens Van de Groep gaat certificering van CO2-opslag een mooie bijdrage leveren aan de landbouw- en verwerkingskant van het biobased verhaal omdat het zorgt voor versterking van de positie van de boer en van de regionale keten. “Wij willen zoveel mogelijk regionale en langjarige afspraken maken tussen boeren en verwerkers. Dit creëert een nieuwe economische dynamiek in de regio’s. Wat nodig is voor de agrarische sector, die onder druk staat door bedrijven die moeten afschalen. Maar dan is het wel belangrijk dat boeren het vertrouwen hebben dat afnemers straks niet op zoek gaan naar de allergoedkoopste grondstoffen in het buitenland. Daar spelen die koolstofcertificaten wel een belangrijke rol in.”

Tegelijkertijd heeft de bouw ook een circulariteitsopgave. Van de Groep: “In 2030 mogen we nog maar vijftig procent niet-hernieuwbare primaire grondstoffen toepassen. Om dat voor elkaar te krijgen zijn bio-grondstoffen onmisbaar, zonder gaat het niet lukken.”

Toekomstbestendige landbouw

Ook voor de stikstofimpasse biedt biobased bouwen uitkomsten. Het gebruik van lichtere bouwmaterialen zorgt bijvoorbeeld voor stikstofreductie. En in de landbouw zorgt het extensief verbouwen van vezels, wat betekent dat er minder input van mest en bestrijdingsmiddelen is, voor een lagere stikstofimpact. “Een deel van de vezelgewassen zijn extensieve rustgewassen, deze worden door middel van wisselteelt met voedselgewassen afgewisseld.”

Volgens Van de Groep kan Nederland zelfvoorzienend zijn in de behoefte aan vezels voor de bouw. Maar wisselteelt alleen is dan niet voldoende. “We hebben 150.000 hectare landbouwgrond nodig, om de hele bouwsector af moeten dekken in de in de behoefte aan vezels. In Nederland is er 1,8 miljoen hectare landbouwgrond. Met de wisselgewassen kan je 60.000 hectare verzorgen, het resterende deel past uitermate goed op de plekken waar we geen intensieve landbouw meer willen, zoals akkers die tegen natuurgebieden aan liggen.”

Dit soort plekken zijn volgens Van de Groep ook vaak plekken waar het lastiger is om landbouw te bedrijven. “Dat is een voordeel, aangezien de vezelgewassen goed tegen natte en droge periodes kunnen. Het zou dus juist kunnen helpen om de transitie in de landbouw mogelijk te maken.”

Het verhaal klinkt als een win-win voor zo’n beetje alle duurzaamheidsopgaven waar Nederland voor staat. Zo kan het zelfs een verdienmodel zijn voor toekomstbestendig boeren. Maar de omslag naar biobased vergt eerst wel de nodige gedragsverandering van ontwerpers en bouwers in hun ontwerp- en denkproces. Een uitdaging voor een sector die sterk vasthoudt aan de conventionele bouwcultuur.

Dit artikel verscheen eerder in PONT, vakblad energie en duurzaamheid (editie 2024-1). Ieder kwartaal duiken we met dit nieuwe magazine de diepte in, met interviews, verdiepingsartikelen en opinies van experts op het gebied van energie en duurzaamheid. En bovendien: je kunt het helemaal gratis in de bus ontvangen. Klik hier voor meer informatie of een kosteloos abonnement .

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter