Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

De energietransitie begint steeds op een tekentafel

Regelmatig spreek ik, als energie-architect bij Duurzaam Energie Perspectief (DEP) Alliander, gemeenten die worstelen met energie. Nieuwe woonwijken waar geen netcapaciteit voor is, bedrijventerreinen die moeten verduurzamen, nieuwe warmtenetten, iets met laadpalen, enzovoort. Als energietechneut krijg ik bovenmenselijk krachten toegedicht: jij kan dit oplossen met slimme energietechniek. Maak een energiehub, doe een smart grid, gebruik AI, doe iets met waterstof. En ohja: niet duurder dan het nu is. En ook niet meer ruimte. En over drie maanden klaar. We spreken hierover met gemeenten en netbeheerders.

10 March 2026

a person sitting at a table with a tablet

Het onderstaande artikel is een voorpublicatie uit de maarteditie van PONT, Vakblad Energie en Duurzaamheid. Schrijf je hier gratis in voor het vakblad.

Maar helaas, zelfs de slimste energietechneut heeft geen bovenmenselijke krachten. Want als je weet hoeveel energie je waar wil gebruiken, ligt het energiesysteem voor een groot deel al vast. We kunnen dan wat optimaliseren met energietechniek, maar de grote lijnen staan. Niet de energietechneut, maar de RO’er bepaalt het energiesysteem. De benodigde energievoorziening wordt voor 80 procent bepaald door ruimtelijk beleid, onbewust.

Dat ruimtelijk beleid geeft richting aan netbeheerders, maar biedt onvoldoende zekerheid. Een bedrijventerrein met veel elektrische vrachtwagens is voor het energiesysteem heel wat anders dan een bedrijventerrein met vooral groothandel. Wie het eerst bij de netbeheerder aanklopt, krijgt ook het eerst een aansluiting. De netcapaciteit kan dan zomaar opgeslokt worden door een grote verbruiker die wel in het omgevingsplan past, maar niet in het energiesysteem. En daar zit precies het gat tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de ontwikkeling van de energievoorziening.

De benodigde energievoorziening wordt voor 80% bepaald door ruimtelijk beleid, onbewust

Overheden maken de ruimtelijke plannen in een gebied en leggen daarmee – impliciet – de benodigde energie-infrastructuren grotendeels vast, terwijl de netbeheerder daar over gaat. Netbeheerders investeren in energie-infrastructuren, maar gaan er niet over hoe deze in het gebied gebruikt worden.
Gelukkig beseffen steeds meer gemeenten dit. En het verschilt enorm hoe ze daarmee omgaan. Ik hoor gemeenten die zeggen ‘Nee, we mogen niet sturen op energie in onze ruimtelijke plannen’, en andere gemeenten zeggen ‘Ja, natuurlijk doen we dat’.

Er lijkt behoefte te ontstaan aan een energiebestemmingsplan. Hierin zou duidelijk moeten worden welke energievragers waar in het gebied een plek kunnen krijgen. Inclusief de bijbehorende energievoorzieningen. Je zou het kunnen vergelijken met de Utrechtse Barcode uit de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040. Hierin is uitgewerkt wat het ruimtebeslag is van alle functies die nodig zijn voor een gezond en leefbaar stuk stad met 10.000 woningen.

‘Als je de bedoeling achter de Omgevingswet met een energiebril op leest, word je heel blij’

Vergelijkbaar zou het energiebestemmingsplan een samenhangende mix van energievragers en -aanbieders voor een gebied kunnen definiëren. Bij glastuinbouw hoort warmte, maar ook logistiek, koelhuizen en woningen. Dit wordt natuurlijk niet allemaal tegelijk ontwikkeld. Stel, de kassen breiden uit en hebben meer logistiek, koelhuizen en woningen nodig. Het duurt even voordat dit ontwikkeld is. Als ondertussen een andere energievrager langskomt, bijvoorbeeld een datacenter, moet deze door de netbeheerder worden aangesloten en maakt die de energie op die nodig was voor de functies voor een gebalanceerde mix. In het omgevingsplan was ruimte voor een datacenter, want die kosten relatief weinig ruimte, maar in het energiesysteem niet. Een energiebestemmingsplan kan dit ondervangen.

De gemeente Arnhem is de eerste stad met een energieplan waarin ruimte en energie op deze manier samenkomen. Ik spreek Richard Kaper van de gemeente Arnhem hierover. Kaper is één van de grondleggers van dit energieplan. “Als je de bedoeling achter de Omgevingswet met een energiebril op leest, word je heel blij. Die wet biedt veel mogelijkheden om schaarse energie te verdelen. De Energiewet zegt: je mag lokaal niet sturen. De Omgevingswet zegt: je moet lokaal sturen”, vertelt Kaper.

Hoe gaan jullie om met die tegenstelling?

“De hoofdwet die geldig is, is de Omgevingswet. De omgevingsvisie daarin is verplicht en energie zit daarin. Alles wat schaars is, mag je op sturen via omgevingsplannen. Dat moet wel vanuit voorwaarden: je moet een omgevingsprogramma hebben om te sturen op dat thema. Je vertelt daarin aan de stad hoe je met dat thema omgaat. Daar maak je vervolgens gebiedsgerichte afspraken over. Dat wordt aangenomen door de gemeenteraad en komt in het omgevingsplan. Dat is de hardste regeling om op te kunnen sturen: deze energieactiviteit wel, deze niet. Vanuit het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) worden gemeenten daar nu op ondersteund. In de casus NoordVeluwe kunnen gemeenten daar bijvoorbeeld zeggen hoeveel stroom er gaat naar onder meer woningen en bedrijven.”

Dat klinkt top-down, klopt dat?

“Nee, zeker niet. Dit móet juist participatief. Het gaat in de energietransitie onnodig veel over versnellen, verzwaren, doorduwen, uitrollen. Samendoen kost misschien meer tijd, maar het kan dan veel goedkoper en is beter voor de wijk. En het is – ironisch genoeg – nog sneller ook. Bovendien heeft de bewoner écht wat te kiezen als het over energie gaat.”

Kaper vervolgt: “Het allereerste verzwaringsproject dat we samen aanpakten was Kamillehof. Toen we er samen indoken, leek dat met de helft minder te kunnen. Alle prognoses van de netbeheerder gaan uit van het zekere voor het onzekere. Als je het gesprek aangaat met de bewoners, is er een keuze. Als je zon aftopt, hoeft de helft van de trafohuisjes niet geplaatst te worden. Dat heeft direct effect op de wijk. Netbeheerders kunnen en mogen dit gesprek niet aangaan. Gemeenten wel. Dit moeten we samen doen.”

Streamer: ‘Het gaat in de energietransitie onnodig veel over versnellen, verzwaren, doorduwen, uitrollen’

Wat merken bewoners er verder van, naast meer of minder spullen in hun wijk?

“In alle 150 energiegebieden in onze gemeente gaan we de gebiedsenergieplannen samen maken. Dat gaat niet alleen over techniek. Het gaat ook over eigendom. Je zou kunnen zeggen dat bewoners nu het energiesysteem huren van energiemaatschappijen. We leggen ook de optie op tafel om dat lokaal op afbetaling te doen, zodat het eigendom lokaal gaat liggen. Als je wil, kan je mee investeren. Wie dan waar verantwoordelijk voor is, moeten we samen gaan uitvinden.”

Jullie zijn een koploper op dit gebied, wat hebben jullie geleerd?

“Ons energieplan is echt nieuw. We geloven dat we het juridisch goed geregeld hebben, maar er moet weliswaar nog jurisprudentie komen. En als we energie opnemen in het omgevingsplan, hebben we nog moeilijke afwegingen te maken. Niet alle energievraag past zomaar op de plekken waar dat nu zit. Er zit een afweging in kosten voor verduurzaming, verhuizen, werkgelegenheid, enzovoorts. Daar hebben we nog enorm veel te leren.”

Kan je niet gewoon achter de ontwikkelingen aan investeren? Dan ben je áltijd te laat

Tot nu toe gingen netbeheerders over energieontwerp in de stad. Dat is niet meer zo. Maar gemeenten kunnen dit nog niet goed. Dat moeten we samen gaan uitvinden. Wie bel je als de stroom uitvalt? Wie beslist? Welke verantwoordelijkheden kunnen bewoners nemen? Daar komen we onderweg wel uit.
Maar wat vindt de netbeheerder eigenlijk van het ‘samen kiezen’, waar we in willen investeren? Ik spreek met strateeg Alexander Woestenburg van Alliander.

Waarom zou je dat willen als netbeheerder? Kan je niet gewoon achter de ontwikkelingen aan investeren?
Woestenburg: “Dan ben je áltijd te laat. In de vorige eeuw kon dat nog wel, toen was de opgave lang niet zo groot. Nu kan dat niet meer. We moeten met overheden de plannen en mogelijkheden bespreken. We hebben daarvoor een afdeling energieplanologie opgezet. Die onderbouwen welke opties er zijn en wat de consequenties daarvan zijn in ruimte en tijd. Dat helpt overheden om keuzes te maken.”

Wat gebeurt er met zo’n keuze?

“De grote vraag is inderdaad hoe je die keuzes borgt. Want we zijn het bokje als een rijtje woningen in een hybride- of warmtenetwijk een grote warmtepomp koopt en die niet slim aanstuurt. Het zou mooi zijn als een energiebestemmingsplan dit wel kan. Gemeenten hebben hier een grote rol in.”

‘We zijn het bokje als woningen een grote warmtepomp kopen en die niet slim aansturen’

Moeten de overheden die keuzes maken, wat jou betreft?

“Ja, zeker. Dat zijn maatschappelijke en politieke beslissingen die veel verder gaan dan enkel een optimaal energienet. Daar zitten allerlei andere afwegingen in. Netbeheerders gaan daar niet over. Daarnaast kunnen gemeenten dat veel beter in co-creatie doen met bewoners en ondernemers, zoals dat in Arnhem gebeurt.”

Doeken jullie de afdeling energieplanologie dan weer op?

“Nee, dat denk ik niet. Je hoopt natuurlijk dat er bij gemeenten en provincies een ruimtelijke afdeling is, die energie op een goede manier kan meenemen in ruimtelijke plannen. Dat blijkt in de praktijk toch echt wel specialistische kennis te vragen die we nog niet van gemeenten kunnen verwachten. We hebben wel het gesprek met de overheden nodig. En natuurlijk de borging dat de ruimtelijke plannen ook uitgevoerd gaan worden zoals beoogd.”

Hoe zie je de toekomst van een energiebestemmingsplan?

“Het zou enorm helpen om als maatschappij te besluiten waar we welke energie voor willen gebruiken. Als netbeheerders kunnen we daar dan op investeren. Dat doen we nu te veel op jaarlijkse fluctuaties en interne prognoses, terwijl we juist behoefte hebben aan de stip op de horizon. Voor welk Nederland willen we eigenlijk een energiesysteem aanleggen? Willen we bijvoorbeeld voorbereid zijn op het stilvallen van de warmte golfstroom langs Europa? Willen we grote datacenters voor AI mogelijk maken? Willen we onafhankelijk van import van waterstof uit het Midden-Oosten zijn? Misschien is het helemaal niet zo erg om veel te investeren in het energienet, als we dat maar bewust doen. Daar is het energiebestemmingsplan voor, maar dan op nationaal niveau.”

‘Het is niet erg om veel te investeren in het energienet, als we dat maar bewust doen’

Beide organisaties laten flexibiliteit zien, elk op hun eigen manier. De gemeente Arnhem denkt vanuit bewoners, ondernemers en wat goed is voor de stad. Alliander denkt vanuit een robuust energiesysteem voor Nederland. En beide organisaties laten zien dat kiezen én daar op acteren belangrijk is, zowel in de stad als in het land. Hoe we dat doen, op basis waarvan en wie dat doet, daar moeten we nog achter komen.

Hoe dan ook, beiden zijn ze het erover eens: het lukt alleen als we gaan voor de best mogelijke leefomgeving, en ons niet vasthouden aan bestaande belangen. Daarbij hebben we meer aan een energiebestemmingsplan, dan aan de bovenmenselijke krachten van energietechneuten.

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter

U moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.