Op 20 maart 2026 heeft de Nederlandse minister van Klimaat en Groene Groei (de minister ) een brief aan het parlement (de brief aan het parlement ) (alleen beschikbaar in het Nederlands) gestuurd waarin hij aankondigt dat de regering voornemens is contracten voor verschil ( CfD's ) toe te passen voor offshore en onshore windenergieprojecten en zonne-energieprojecten.

Het kabinet ziet CfD's als vervanging van de SDE++-subsidieregeling en het tijdelijke ondersteuningsmechanisme wind op zee (TOWOZ). Het kabinet heeft in het coalitieakkoord voor de periode 2026-2030 opgenomen te blijven investeren in wind op zee via CfD’s voor 40 GW aan opgesteld vermogen.
Op 20 maart 2026 is het Planbureau voor de Leefomgeving (het PBL) een marktconsultatie gestart over TOWOZ, de SDE++ 2026, de SDE++ 2027 en de CfD 2027. Ten behoeve daarvan publiceerde het PBL een wijzigingsnotitie over de SDE++ 2027 en de CfD 2027 (de Wijzigingsnotitie). De marktconsultatie van het PBL heeft wat betreft het CfD-instrument primair betrekking op de hoogte van de benodigde steun voor effectieve stimulering. Marktpartijen kunnen tot 17 april 2026 reageren op de marktconsultatie.
Op 30 maart 2026 heeft het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) (het Ministerie) tijdens een publieke bijeenkomst de concept ontwerpkeuzes die in de Kamerbrief zijn omschreven ten aanzien van het CfD-instrument toegelicht ten aanzien van windenergie op zee (de Bijeenkomst).
In deze blog worden enige gezichtspunten uit de Kamerbrief, de Wijzigingsnotitie en de Bijeenkomst over het beoogde CfD-instrument besproken.
Op grond van de Europese Elektriciteitsverordening (Verordening (EU) 2019/943) moeten landen die directe prijssteun willen geven aan nieuwe opwekking van elektriciteit uit, onder andere, wind- en zonne-energie dat vanaf 17 juli 2027 doen via tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen of gelijkwaardige regelingen met dezelfde gevolgen. Ten aanzien van offshoreproductie-installaties voor hernieuwbare energie die zijn aangesloten op hybride offshoreprojecten die zijn aangesloten op twee of meer biedzones, geldt deze verplichting vanaf 17 juli 2029. Als gevolg hiervan is het vanaf genoemde data niet meer mogelijk om deze projecten prijszekerheid te bieden via de huidige SDE++ subsidieregeling en het TOWOZ.
In de Kamerbrief stelt de Minister dat het voornemen is om een tweerichtingen-CfD te introduceren: een tweerichtingencontract tussen de overheid en de producent van hernieuwbare energie, waarin een prijs (de strike price) wordt afgesproken. Het PBL zal jaarlijks het maximale indieningsbedrag (de maximale strike price) per categorie technologieën vaststellen, vergelijkbaar met de huidige SDE++.
Wanneer de referentieprijs (zoals hieronder toegelicht) tijdens een kalenderjaar lager is dan de strike price, dient de overheid het verschil aan de producent te betalen. Andersom, wanneer de referentieprijs tijdens een kalenderjaar hoger is dan de strike price, dient de producent aan de overheid te betalen.
De referentieprijs wordt bepaald op basis van de relevante jaarlijkse gemiddelde marktprijs van elektriciteit. Volgens de Wijzigingsnotitie gaat PBL ervan uit dat de referentieprijs wordt gecorrigeerd voor de profielkosten. De referentieprijs komt niet overeen met maar is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met het correctiebedrag in de SDE++, aangezien het correctiebedrag ook is gebaseerd op een jaarlijkse gemiddelde marktprijs van elektriciteit en wordt gecorrigeerd voor, onder andere, profielkosten.
Voor het juridisch mogelijk maken van het CfD-instrument is een nieuwe wet nodig. Het concept-ontwerpwetsvoorstel ‘Tweezijdige contracten ter verrekening van verschillen’ is in het najaar 2025 ter internetconsultatie aangeboden geweest en ligt nu ter advisering voor bij de Afdeling advisering van de Raad van State. In de wet wordt ook de mogelijkheid gecreëerd om andere projecten dan zon-PV en windenergie met CfD’s te stimuleren, mocht dat in de toekomst wenselijk blijken, bijvoorbeeld kernenergie, de opwek van duurzame warmte, elektrificatie of carbon capture & storage (CCS).
Volgens de Kamerbrief hanteert de Minister de volgende drie uitgangspunten bij het ontwerpen van het CfD-instrument: (1) een goede verdeling van financiële risico’s tussen marktpartijen en de overheid, (2) zo min mogelijk verstoring van elektriciteitsmarkten, en (3) de uitvoerbaarheid van het instrument, zowel voor de overheid als voor ontwikkelaars van hernieuwbare elektriciteitsprojecten. Bij windenergie op zee komt daarbij dat het CfD-instrument voldoende aantrekkelijk moet zijn ten opzichte van CfD’s in andere landen voor windenergie op zee.
In de Kamerbrief gaat de Minister in op de ontwerpkeuzes in het voorgestelde CfD-instrument voor windenergie op zee, windenergie op land en zon-PV, waarvan enkele ontwerpkeuzes hieronder worden benoemd. Hieronder zijn ook enkele aanvullende observaties door het Ministerie gemaakt tijdens de Bijeenkomst opgenomen en enkele marktvragen van het PBL, zoals zijn opgenomen in de Wijzigingsnotitie. De inhoudelijke ontwerpkeuzes voor CfD’s worden in een later stadium vastgelegd in conceptcontracten die bij ministeriële regeling worden gepubliceerd.
Partijen met de hoogste rangschikking in de biedprocedure komen in aanmerking voor een CfD. De rangschikking van biedingen voor windenergie op zee, windenergie op land en zon-PV geschiedt in de eerste plaats op basis van steunintensiteit: het aantal euro’s aan verwachte steun per ton vermeden CO₂-uitstoot (wind op land en zon-PV) respectievelijk per geproduceerde kWh elektriciteit (wind op zee). Voor windenergie op zee wordt het tevens mogelijk om naast steunintensiteit biedingen te beoordelen op kwalitatieve aspecten van de bieding (de vergelijkende toets), zoals systeemintegratie en ecologie.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal voor de CfD’s de biedprocedures en tenderrondes uitvoeren en de CfD’s beheren. In de ministeriële regeling worden ook de voorwaarden voor de concurrerende biedprocedure met eventuele aanvullende rangschikkingscriteria uitgewerkt.
De Minister kiest voor een productie-gebaseerde CfD, wat inhoudt dat steunbetalingen worden berekend op basis van de daadwerkelijk geproduceerde kilowatturen elektriciteit.
Als alternatief voor productie-gebaseerde CfD’s verkent de Minister een productie-onafhankelijke CfD voor windenergie op zee voor de jaren na 2027, waarbij betalingen zouden plaatsvinden op basis van een referentievolume en niet op basis van daadwerkelijke productie.
De Minister is voornemens om voor hernieuwbare elektriciteit op land een contractslooptijd van 15 jaar te hanteren en voor windenergie op zee 20 jaar, met de mogelijkheid voor één jaar banking waarin niet-gedraaide productie-uren uit eerdere jaren kunnen worden ingehaald.
Marktpartijen worden gevraagd om in de marktconsultatie op beide looptijden te reageren.
Verder kiest de Minister in het CfD-instrument voor een basisenergieprijs, zoals bekend vanuit de SDE++. Bij elektriciteitsprijzen die lager zijn dan de basisenergieprijs wordt het verschil tussen de referentieprijs en de basisenergieprijs niet betaald aan de producent. Op die wijze worden overheidsuitgaven bij lage elektriciteitsprijzen beperkt.
De hoogte van de basisenergieprijs voor CfD’s moet nog worden vastgesteld en is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan de basisenergieprijs van de SDE++.
In de Kamerbrief wordt aangegeven dat de Europese Commissie heeft bepaald dat er geen steunbetalingen mogen plaatsvinden voor productie op momenten met negatieve elektriciteitsprijzen. Echter, de Minister merkt op dat negatieve prijzen en de onzekerheid over hoe vaak die zullen voorkomen, een impact hebben op de businesscase van producenten. De Minister overweegt daarom een gedeeltelijke compensatie voor gemiste inkomsten door negatieve elektriciteitsprijzen. Volgens de Kamerbrief wordt de keuze voor gedeeltelijke compensatie, ten opzichte van volledige, gemaakt om prikkels voor opslag en eigen verbruik van elektriciteit in stand te houden.
Tijdens de Bijeenkomst werd aangegeven dat de Minister nog onderzoek doet naar de wijze waarop de compensatie zal worden vormgegeven en dat bij de besluitvorming de input die wordt geleverd in de marktconsultatie van het PBL zal worden meegenomen. Marktpartijen worden door het PBL gevraagd om hun reactie te gegeven op de vraag hoe in het CfD-instrument moet worden omgaan met negatieve stroomprijzen en toenemende prijsvolatiliteit om zowel systeemintegratie als investeringszekerheid te borgen.
Het beoogde CfD-instrument biedt de producent de mogelijkheid om in de biedprocedure een deel van de productiecapaciteit voor de gehele looptijd van het CfD-contract buiten het CfD-contract te houden. Dit wordt een "carve-out" genoemd.
Volgens de Kamerbrief behouden producenten op deze manier de mogelijkheid om te kunnen blijven profiteren van langetermijncontracten op de markt (zoals (corporate) power purchase agreements ((c)PPA’s)) en om een deel van de opgewekte elektriciteit in te zetten voor de productie van hernieuwbare brandstoffen van niet-biogene oorsprong (renewable fuels of non-biological origin, RFNBO’s). RFNBO’s zijn synthetische brandstoffen die worden geproduceerd met behulp van hernieuwbare energie, maar die niet afkomstig zijn van biologische bronnen zoals biomassa. Bijvoorbeeld, waterstof geproduceerd met een elektrolyser waarbij elektriciteit wordt gekocht van een windpark op zee, kan als RFNBO kwalificeren als aan alle voorwaarden is voldaan. Als er geen directe fysieke verbinding is tussen de producent van brandstof en de producent van hernieuwbare elektriciteit, is één van de vereisten voor kwalificatie als RFNBO dat de installatie die hernieuwbare elektriciteit opwekt geen steun ontvangt in de vorm van exploitatie- of investeringssteun (behalve in bepaalde uitzonderingsgevallen). In de Kamerbrief wordt opgemerkt dat het kabinet daarom rekening houdt met de RFNBO-vereisten bij het bepalen van de werking van het CfD-instrument en dat zij in overleg is met de Europese Commissie over de lopende beoordeling van de vereisten.
Volgens de Kamerbrief krijgen producenten die gebruikmaken van de carve-out optie een hogere rangschikking in de biedprocedure, omdat zij minder steun nodig hebben. Het is nog onduidelijk op welke wijze de carve-out precies in aanmerking wordt genomen bij de rangschikking in de biedprocedure. Marktpartijen worden gevraagd aan te geven wat zij van de mogelijkheid van een carve-out binnen het CfD-instrument vinden en in welke mate zij verwachten dat ontwikkelaars voor een carve-out zullen kiezen.
In de Kamerbrief en tijdens de Bijeenkomst is aangegeven dat vertraging of non-realisatie van energieprojecten een risico kunnen vormen voor de ontwikkelaar tussen het moment waarop de strike price wordt vastgesteld en het moment waarop de finale investeringsbeslissing wordt genomen en ook tot hoge maatschappelijke kosten kunnen leiden. De Minister is daarom voornemens om voor de eerste twee jaar na de biedprocedure een inflatiecorrectie op het indieningsbedrag toe te passen. Tijdens de Bijeenkomst werd aangegeven dat de inflatiecorrectie door het PBL in het maximale indieningsbedrag (de maximale strike price) voor het jaar 2027 zal worden verwerkt.
Volgens de Wijzigingsnotitie en de Bijeenkomst is het Ministerie voornemens om de inflatiecorrectie vast te stellen op basis van de realisaties van de geharmoniseerde consumentenprijsindex (harmonised index of consumer prices, HICP) voor Nederland in de 2 jaar na de bieding.
In de marktconsultatie worden marktpartijen gevraagd te reageren op onder andere de vraag of deze methode van inflatiecorrectie de risico’s van inflatieschokken voldoende afdekt en of de Nederlandse HICP voldoende aansluit bij eventuele inflatieschokken of dat een andere (combinatie van) index(en) passender zou zijn.
Op dit moment verkent de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de invoering van een invoedingstarief voor producenten. Het is nog niet duidelijk of het invoedingstarief wordt ingevoerd en, zo ja, hoe dat eruit gaat zien en voor wie het zal gelden. De Minister geeft aan dat, mede om deze reden, het nog niet duidelijk is hoe in de CfD’s zal worden omgegaan met het invoedingstarief, indien dat wordt ingevoerd. In de Kamerbrief is aangegeven dat het kabinet hoopt zo snel mogelijk, wanneer meer duidelijk is over de keuzes omtrent het invoedingstarief, te kunnen communiceren over hoe hiermee in het CfD-instrument zal worden omgegaan.
Eenieder kan via de marktconsultatie van het PBL tot uiterlijk 17 april 2026 op het CfD-instrument reageren. Na de marktconsultatie zal het PBL advies uitbrengen aan de Minister over de CfD 2027. Het PBL-advies omvat naast de categorieën wind op zee, wind op land en zon-PV ook de categorieën wind in meer en waterkracht. Daarnaast bevat het PBL-advies voor de SDE++ 2027-regeling alle overige categorieën die binnen de SDE++ worden gesteund.
De definitieve ontwerpkeuzes van het CfD-instrument zullen onder meer op basis van het PBL-advies en de ontwikkelingen rondom SDE++, TOWOZ en CfD’s in andere landen worden gemaakt.
Tijdens de Bijeenkomst merkte het Ministerie op dat het wetsvoorstel inzake het CfD-instrument naar verwachting vóór de zomer van 2026 aan het Tweede Kamer zal worden voorgelegd. De Minister is voornemens om CfD’s in het najaar van 2027 open te stellen. Het exacte tijdspad is onder meer afhankelijk van het wetgevingstraject en het proces van staatssteungoedkeuring door de Europese Commissie.
