Menu

Zoek op
rubriek
Klimaatweb
0

Deze keer een ‘urgent call’ van Milieudefensie aan het bestuur van Shell, is de geest uit de fles?

14 juni 2022

De inkt van mijn blog ‘De klimaatdoelen van Parijs: een bestuurlijke verantwoordelijkheid?’ over de aansprakelijkstelling van de bestuurders en commissarissen van Royal Dutch Shell (hierna: ‘RDS’ of ‘Shell’) in het Verenigd Koninkrijk door ClientEarth was nauwelijks droog, toen Milieudefensie in een uitvoerige brief een dringende oproep deed aan deze bestuurders en commissarissen (voor de leesbaarheid hierna meestal: ‘het bestuur’). Milieudefensie roept hen op om de positie van Shell te heroverwegen en te stoppen met het verstrekken van incomplete en onjuiste informatie over de gevolgen van haar huidige energiestrategie. Volgens Milieudefensie is die strategie niet in lijn met het oordeel van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:5337) en daarmee ook niet met het Klimaatakkoord van Parijs. Maar niet alleen ClientEarth en Milieudefensie richtten zich rechtstreeks tot het bestuur. Ook aandeelhouder Odey richtte zich met een oproep om het hoger beroep te staken op 19 mei 2022 tot de CEO van Shell. Het bestuur van Shell staat dus steeds meer in de spotlights. Is dat stemmingmakerij? Of brengt de grote aandacht voor ‘Environmental, Social, & Governance’ (ESG) (in dit geval ‘environmental’) daadwerkelijk grotere persoonlijke aansprakelijkheidsrisico’s voor het bestuur mee?

In deze bijdrage probeer ik de ‘urgent call’ van Milieudefensie aan het bestuur te duiden en sta ik stil bij de vraag wat de uitspraak impliceert voor de persoonlijke aansprakelijkheid van andere bestuurders. Voorafgaand roep ik in herinnering wat het oordeel van de rechtbank Den Haag inhield en geef ik een (korte) samenvatting van de oproep van Milieudefensie. Ik sluit af met een conclusie. Die houdt in dat naar mijn inschatting een claim tegen het bestuur van Shell (en/of andere bestuurders) een ambitieuze zet is. Dit neemt niet weg dat de oproep een belangrijke signaalfunctie heeft. Er is een politieke en maatschappelijke verschuiving gaande die meebrengt dat bestuurders er verstandig aan doen rekening te (blijven) houden met een ruime(re) groep belanghebbenden.

Het oordeel van de rechtbank Den Haag 26 mei 2021 in de kern (Milieudefensie/Shell)

Volgens de rechtbank Den Haag staat vast dat de Shell-groep wereldwijd verantwoordelijk is voor een substantiële CO2-uitstoot. De totale CO2-uitstoot van de Shell-groep is groter dan de CO2-uitstoot van vele staten, waaronder Nederland. Verder is niet in geschil dat deze mondiale CO2-uitstoot in Nederland en het Waddengebied bijdraagt aan de opwarming en de verandering van het klimaat. Volgens de rechtbank stroken het beleid, de beleidsvoornemens en de ambities van Shell voor de Shell-groep niet met de reductieverplichting van RDS. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een dreigende schending van de reductieverplichting van Shell. Zij heeft Shell daarom bevolen om via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot eind 2030 terug te brengen tot netto 45 procent ten opzichte van het niveau van 2019. Het gaat daarbij om de CO2-uitstoot van Shell zelf (scope 1), haar toeleveranciers (scope 2) en eindgebruikers (3).

In de kern baseert de rechtbank deze beslissing op de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) en neemt daarbij in aanmerking: (i) de relevante feiten en omstandigheden, (ii) de best beschikbare wetenschap over (de aanpak van) gevaarlijke klimaatverandering en (iii) de breed gedragen internationale consensus dat mensenrechten bescherming bieden tegen de gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering en dat bedrijven mensenrechten moeten respecteren.

De reductieverplichting is een resultaatsverplichting voor de activiteiten van de Shell-groep, waarbij van Shell kan worden verwacht dat zij ervoor zorgt dat de CO2-uitstoot van de Shell groep (zogeheten scope 1 uitstoot) wordt teruggebracht tot dit niveau. Ten aanzien van de zakelijke relaties van de Shell-groep (met inbegrip van de eindgebruikers) (zogeheten scope 2 en 3 uitstoot) is dit een zwaarwegende inspanningsverplichting. Volgens de rechtbank kan van Shell worden verwacht dat zij de nodige stappen neemt om de ernstige risico’s als gevolg van de door deze zakelijke relaties gegenereerde CO2-uitstoot op te heffen of te voorkomen en haar invloed aanwendt om eventueel voortdurende gevolgen zo veel mogelijk te beperken.

Het standpunt van Shell is dat een rechterlijke uitspraak waarin een onderneming wordt bevolen om haar uitstoot – en die van haar klanten – te verminderen niet de oplossing is. Volgens Shell moeten de maatschappij, overheden en klanten samenwerken om daadwerkelijk verandering teweeg te brengen. Shell is in hoger beroep gegaan van de uitspraak.

De uitspraak van de rechtbank is opzienbarend. Zo heeft het discussie opgeleverd over de rol van de civiele rechter in het debat over klimaatverandering. Ook de toepasselijkheid van ‘soft law’ en grondrechten en causaliteit heeft veel pennen in beweging gebracht. Het is dan ook de vraag of het hof Den Haag even moeiteloos deze hordes neemt als de rechtbank Den Haag lijkt te hebben gedaan.

Wat verwijt Milieudefensie het bestuur in haar dringende oproep?

Milieudefensie concludeert op basis van Shells publieke handelen en berichtgeving dat zij niet van plan is om het rechterlijk bevel van de rechtbank na te leven. Dit licht zij uitvoerig toe in bijlage 2 van haar brief. Hierin verwijst Milieudefensie onder meer naar een voorspelling van Global Climate Insight (een non-profit-organisatie die klimaattransitie-analyses voor investeerders maakt) dat de strategie van Shell, ‘Powering Progress’, zelfs tot een toename van scope 3 uitstoot in 2030 zal leiden.

Milieudefensie verwijt Shell daarnaast dat zij een niet-transparante en in potentie misleidende boodschap afgeeft over haar inspanningen naar aanleiding van de uitspraak. Shell heeft naar buiten gebracht dat ze haar inspanningen zou vergroten en actie zou ondernemen. Het doel dat ze heeft geformuleerd ziet echter maar op 5 procent van de totale uitstoot (alleen scope 1 en 2). Daarnaast communiceert Shell niet transparant over de gevolgen van Powering Progress. Shell richt zich alleen op het einddoel in 2050 (geen CO2-uitstoot meer) en is niet open over haar doel voor 2030. Verder refereert Shell volgens Milieudefensie uitsluitend aan CO2-intensiteit in plaats van het verlagen van absolute uitstoot. Dit terwijl een verlaging van de CO2-intensiteit niet automatisch betekent dat de absolute uitstoot lager is. Tot slot stelt Milieudefensie dat de marketingstrategie van Shell misleidend is. Ze wijst erop dat de Reclame Code Commissie al in de eerste 2,5 maand van 2022 vier uitspraken heeft gedaan waarin de commissie oordeelt dat, kort gezegd, sprake is van ‘greenwashing’ door Shell.

Milieudefensie roept het bestuur dringend op om vrijwillig en onmiddellijk haar koers aan te passen in lijn met de uitspraak. Ze roept het bestuur op recht te doen aan de grote verantwoordelijkheid die rust op diegenen die bij machte zijn om de ernstigste crisis te voorkomen waar de mensheid ooit mee te maken heeft gehad.

Milieudefensie stuurt een kopie van de brief aan grote investeerders die zich volgens haar ook bewust dienen te zijn van wezenlijke en toenemende risico's wanneer niet wordt gehandeld in lijn met het Akkoord van Parijs.

Persoonlijke aansprakelijkheid van het bestuur jegens derden

Milieudefensie beschrijft in bijlage 2 van haar brief uitvoerig hoe (niet ten opzichte van één jurisdictie in het bijzonder) de verantwoordingsplicht van ondernemingen over klimaatverandering aan grote verandering onderhevig is. Volgens Milieudefensie is sinds de zitting in de zaak tegen Shell sprake geweest van belangrijke juridische, zakelijke, politieke en wetenschappelijke ontwikkelingen. Die beïnvloeden de beoordeling van bedrijfsmatig handelen en wijzen erop dat aansprakelijkheidsrisico’s toenemen. In het kader van deze ontwikkelingen wijst Milieudefensie onder meer op de groeiende groep beleggers en andere belanghebbenden die steeds meer druk uitoefenen of fossiele-energiebedrijven om in lijn met het Akkoord van Parijs te handelen. Daarbij hebben grote institutionele beleggers ook een eigen verantwoordelijk volgens Milieudefensie. Ook wijst Milieudefensie op druk vanuit de financiële en verzekeringssector. Als voorbeeld haalt ze de aankondiging van Swiss Re aan dat zij (onder meer) geen verzekeringen meer zal verkopen voor de meeste nieuwe olie- en gasprojecten. Ook noemenswaardig is volgens Milieudefensie het toegenomen activisme op de werkvloer. Zo heeft de FNV medegedeeld dat ze de oproep van Friends of the Earth aan 29 vervuilende bedrijven om hun beleid gericht op 2030 aan te passen aan het Akkoord van Parijs (p. 9 van bijlage 2 van de oproep). Milieudefensie stelt verder dat het ondenkbaar is dat het toezicht op het handelen van ondernemingen en hun bestuurders de komende jaren afneemt terwijl ‘the window of action’ om de opwarming nog te kunnen beperken tot 1,5°C snel aan het sluiten is.

Het voorgaande betekent voor bestuurders dat zij bij het vaststellen van het beleid van de vennootschap de belangen van de vennootschap en van de verschillende belanghebbenden moeten afwegen, aldus Milieudefensie. Daarbij dient de vennootschap vast te stellen welke risico’s een bedreiging zijn voor de strategie en transparant te communiceren over welke maatregelen worden genomen. De vennootschap dient de strategie aan haar interne belanghebbenden, zoals aandeelhouders, te rechtvaardigen.

Een speciaal onderdeel van de opdracht van bestuurders is volgens Milieudefensie dat zij oog moeten hebben voor de belangen van externe belanghebbenden en de risico’s wanneer zij er niet in slagen om hiermee voldoende rekening te houden. Daarbij gaat het niet alleen om de belangen van schuldeisers en klanten. Volgens Milieudefensie is onmiskenbaar dat nationale en internationale governanceprincipes meebrengen dat bestuurders ook rekening moeten houden met de impact van de vennootschap op bredere maatschappelijke belangen, waaronder in het bijzonder het milieu, klimaat en mensenrechten.

Volgens Milieudefensie is sprake van bijzondere omstandigheden gelet op de ernstige gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering en de internationale consensus dat de CO2-uitstoot beperkt moet worden. Bestuurders zijn persoonlijk aansprakelijk als zij niet doen wat nodig is om het universele doel van het Akkoord van Parijs te bereiken en opzettelijk ervoor kiezen om een pad te volgen dat voorzienbaar onrechtmatig is terwijl zij goed op de hoogte is van de risico’s en gevolgen voor de wereldwijde gemeenschap. Daarmee is het bestuur betrokken bij het onrechtmatig handelen van de vennootschap en kan het bestuur ook aansprakelijk worden gehouden voor de schade van derden.

Daarbij wijst Milieudefensie erop dat de schade die door het onrechtmatig handelen wordt geleden (op lange termijn door iedereen) zelfs door de rijkste ondernemingen niet is te betalen. Dit is volgens Milieudefensie ook het geval als de schade naar rato van het aandeel van Shell in de totale CO2-uitstoot moet worden begroot. Daarmee staat de continuïteit van de ondernemingen niet alleen op het spel, maar dreigen slachtoffers ook met lege handen achter te blijven. Ook dit is of zou voorzienbaar moeten zijn voor bestuurders vandaag de dag en zou tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders kunnen leiden, aldus Milieudefensie. De schade die door het bestuur moet worden vergoed, kan volgens haar naar rato van het aandeel van de betreffende bestuurders in de CO2-uitstoot van de onderneming worden vastgesteld.

Aansprakelijkheid jegens de vennootschap

Milieudefensie schrijft daarnaast dat het bestuur ook jegens de vennootschap en/of aandeelhouders persoonlijk aansprakelijk kan zijn. Hierbij verwijst ze naar de aankondiging van ClientEarth dat zij rechtsmaatregelen gaat treffen tegen het bestuur.

Volgens Milieudefensie bestaat er internationaal consensus over het feit dat bestuurders tegenover de vennootschap – en dus tegenover alle belanghebbenden – moeten handelen ‘with full knowledge of the facts, in good faith, carefully and loyally, in order to promote the best interest of that company’. Ook volgt uit nationale en internationale governanceprincies dat bestuurders zich moeten richten op, kort gezegd, lange-termijn-waardecreatie. Om dit te doen moeten bestuurders oog hebben voor voorzienbare risico’s die hiervoor een bedreiging kunnen vormen. Op basis daarvan kunnen maatregelen nemen en beleid formuleren om de geïdentificeerde risico’s op verantwoorde wijze te managen. Vervolgens moet het bestuur deze risico's en zijn beleid om deze risico’s te managen openbaar maken aan alle belanghebbenden. Het belang van transparantie ten opzichte van klimaatverandering wordt volgens Milieudefensie geïllustreerd door de toename van openbaarmakingsverplichtingen.

Milieudefensie onderscheidt drie categorieën van risico’s. Ten eerste juridische risico’s. Het civiele aansprakelijkheidsrisico als gevolg van vennootschappelijk beleid dat niet in lijn is met het Akkoord van Parijs is serieus en neemt snel toe. Daarnaast loopt de vennootschap ook andere juridische - en compliancerisico’s. Dit is het gevolg van het veranderende juridische landschap, het toegenomen publieke en regelgevend toezicht en wet- en regelgeving die zich snel ontwikkelen. Milieudefensie noemt een lange reeks van voorbeelden. Zo noemt ze greenwashing, schending van openbaarmakingsverplichtingen, aandelenfraude en schending van mensenrechten vanwege de zware impact van klimaatverandering op mensenlevens en welzijn. Ten tweede het risico van fysieke gevaren. De gevolgen van klimaatverandering, zoals extreem weer, overstromingen en aardverschuivingen kunnen leiden tot directe schade aan activa van (onder meer) de vennootschap. Ten derde lopen vennootschappen risico in economische zin. Als zij zich niet tijdig voorbereiden op de energietransitie zou de toegang tot kapitaal en verzekeringen in gevaar kunnen komen.

Duiding van de oproep van Milieudefensie

De brief roept de vraag op hoe de boodschap van Milieudefensie moet worden geduid. Milieudefensie roept het bestuur op om ervoor te zorgen dat Shell het rechterlijk bevel opvolgt. Tegelijkertijd suggereert ze dat de bestuurders (mogelijk) persoonlijk aansprakelijk zijn, omdat de vennootschap onvoldoende rekening houdt met maatschappelijke belangen, waaronder in het bijzonder het milieu, klimaat en mensenrechten.

Van belang is echter dat de rechtbank niet heeft geoordeeld dat Shell onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens de rechtbank is sprake van een ‘dreigende schending van de reductieverplichting’ door Shell. Daarom heeft de rechtbank Shell bevolen om via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot eind 2030 terug te brengen tot netto 45 procent ten opzichte van het niveau van 2019.

Iets anders is de vraag of Shell onrechtmatig handelt, omdat zij het vonnis niet naleeft. De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en overwoog in dat kader: ‘Het belang van Milieudefensie c.s. bij onmiddellijke nakoming door RDS van het bevel, weegt op tegen het belang dat RDS mogelijk heeft bij behoud van de bestaande toestand tot onherroepelijk op de vorderingen van Milieudefensie c.s. is beslist.’ Dat Shell geacht wordt om onmiddellijk in actie te komen is dus duidelijk. Tegelijkertijd gaat het om het bereiken van een doel in 2030. Het is de vraag of Milieudefensie op dit moment, ruim voor 2030, aannemelijk kan maken dat Shell het vonnis niet naleeft. De uitlatingen van Shell over haar huidige strategie en doelen, zoals uitgebreid beschreven door Milieudefensie in bijlage 1, wijzen volgens Milieudefensie erop dat dat Shell niet van plan is om het rechterlijk bevel op te volgen. Daarbij moet echter ook worden bedacht dat de rechtbank ter zake van de beperking van de uitstoot van scope 1 een resultaatsverbintenis heeft opgelegd, maar voor scope 2 en 3 slechts een (zwaarwegende) inspanningsverbintenis. In hoeverre Shell (niet) voldoet aan die inspanningsverbintenis is niet eenvoudig vast te stellen.

(Ook) voor de bestuurders persoonlijk betekent dit vooralsnog dat hooguit sprake kan zijn van een dreigend aansprakelijkheidsrisico. En van persoonlijke aansprakelijkheid is niet snel sprake. Naar Nederlands recht is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor schade als gevolg van wanprestatie of een onrechtmatige daad. Om te voorkomen dat bestuurders hun handelen in grote mate door defensieve overwegingen laten bepalen, geldt een hoge drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders. Daarvoor is, zowel voor interne aansprakelijkheid (jegens de rechtspersoon) op grond van artikel 2:9 BW als externe aansprakelijkheid (jegens derden) op grond van artikel 6:162 BW, een ernstig verwijt vereist. Of een bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

Het vennootschapsbelang dat het bestuur voor ogen moet houden (zie artikel 2:139/239 lid 5 BW) wordt ‘in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van de door de vennootschap gedreven onderneming’, waarbij, mede op grond van artikel 2:8 BW, zorgvuldig moet worden omgegaan met de belangen van alle betrokkenen. Daarbij moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Ook concurrentie en succesfactoren die in de industrie gelden, spelen een rol.

Voornoemde zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat de bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet of onevenredig worden geschaad. Benadeling van stakeholders moet worden vermeden, maar kan soms wel vereist zijn. Zo kan het ontslag van werknemers onder bepaalde omstandigheden nodig zijn om de kosten te verlagen en concurrerend te blijven. Verder zal de strategische keuze van het bestuur en de raad van commissarissen niet noodzakelijkerwijs stroken met de wil van (een meerderheid van) de aandeelhouders.

Milieudefensie spitst als gezegd haar betoog niet toe op een specifieke jurisdictie, maar volgens haar is duidelijk dat uit nationale en internationale governanceprincipes volgt dat dat bestuurders ook rekening moeten houden met de impact van de vennootschap op bredere maatschappelijke belangen, waaronder in het bijzonder het milieu, klimaat en mensenrechten. Zoals beschreven in mijn eerdere blog voorziet het Nederlandse recht (nog) niet in een expliciete maatschappelijke zorgplicht voor bestuurders. Maar bij een ruime uitleg van het begrip ‘betrokkenen’ uit de Cancun-beschikking zou gesteld kunnen worden (waarbij ik gelet op de discussie hierover nadrukkelijk schrijf ‘zou’) dat daarmee al is voorzien in een maatschappelijk zorgplicht. Daarnaast vormen de Corporate Governance Code, de redelijkheid en billijkheid van artikel 3:12 BW en artikel 6:162 BW hiervoor een grondslag. In aanvulling daarop heeft de Europese Commissie het richtlijnvoorstel voor duurzaam ondernemingsbestuur, de Directive on Corporate Sustainability Due Diligence (CSDD), van 23 februari 2022 gepubliceerd. Die zal mogelijk leiden tot de verplichting voor lidstaten om wettelijk vast te leggen dat onderdeel van de taakvervulling van bestuurders is dat zij de gevolgen van hun besluiten voor duurzaamheid op de korte en lange termijnen meewegen. Ook moet de wetgeving van de lidstaten voorzien in de gevolgen van schending van deze zorgplicht.

Of deze zorgplicht van de Europese wetgever het nu wel of niet ‘haalt’, gelet op het Nederlandse stakeholdermodel is de besluitvorming van bestuurders het resultaat van een belangenafweging. Daarbij zullen als gezegd de belangen van alle stakeholders in aanmerking moeten worden genomen, waarbij betoogd zou kunnen worden dat ook het maatschappelijk belang moet worden meegewogen. Dit kan leiden tot dilemma's. Moet de onderneming bijvoorbeeld in tijden van werkloosheid de belangen van haar werknemers laten voorgaan of het belang van de mensheid bij het beperken van klimaatverandering voorrang geven? Het resultaat van deze afweging kan van geval tot geval anders zijn.

Terug naar het bestuur. Vooropgesteld is het naar Nederlands recht in beginsel niet mogelijk om als aandeelhouder een afgeleide actie tegen het bestuur in te stellen. Daarmee ligt interne aansprakelijkheid van het bestuur dus niet in rede. Met betrekking tot externe aansprakelijkheid is van belang dat Milieudefensie suggereert dat alle stakeholders gebaat zijn bij het laten prevaleren van het maatschappelijk belang door te wijzen op voorbeelden waarin aandeelhouders, de financiële sector (waaronder de verzekeringssector) en werknemers aandringen op het voeren van een strategie in lijn met het Akkoord van Parijs. Toch is het zeker geen gegeven dat deze belangen parallel lopen. Als bijvoorbeeld het nemen van maatregelen ter voorkoming van klimaatverandering het afstoten van belangrijke en arbeidsintensieve bedrijfsonderdelen inhoudt, zal in ieder geval een deel van de werknemers gebaat zijn bij voortzetting van Shell in haar huidige vorm. Financiers zullen (ook) belang blijven houden bij grote winstgevendheid van Shell. Als het daadwerkelijk komt tot een aansprakelijkstelling zal Milieudefensie ondanks de uitvoerig onderbouwde oproep een betoog dat het bestuur niet handelt in lijn met het vennootschappelijk belang dan ook concreter moeten onderbouwen.

Een andere situatie zou ontstaan als in de toekomst komt vast te staan dat Shell het bevel niet heeft opgevolgd en het bestuur wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de strategie van Shell hiertoe zou leiden en Shell ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Relevant is daarbij het onderscheid dat de rechtbank in haar bevel maakt tussen de resultaatsverbintenis ten aanzien van scope 1 uitstoot en de (zwaarwegende) inspanningsverbintenis ter zake van scope 2 en 3 uitstoot. Het is bij beide verbintenissen de vraag vanaf wanneer het voor het bestuur voorzienbaar was dat Shell het bevel ter zake van scope 1 uitstoot niet (voldoende) zou opvolgen. Maar dat geldt zeker voor de reductie van scope 2 en 3 uitstoot. Dat betekent dat vermoedelijk niet snel sprake is van een ernstig verwijt en van persoonlijke aansprakelijkheid van het bestuur jegens derden.

Wat betekent dit voor bestuurders van andere ondernemingen? Is de geest uit de fles?

Milieudefensie richt zich in haar brief niet alleen tot het bestuur van Shell. Iedere bestuurder van een grote onderneming die CO2 uitstoot (in het bijzonder scope 3 uitstoot) zou zich bewust moeten zijn van de cruciale en urgente taak voor 2030 en de schade die er voor de maatschappij dreigt, aldus Milieudefensie.

Dit sluit aan bij de overwegingen van de rechtbank dat ook andere bedrijven mensenrechten moeten respecteren ‘ongeacht omvang, sector, operationele context, eigendomsverhoudingen en structuur’. Daar voegt de rechtbank echter aan toe (rechtsoverweging 4.4.16):

‘De schaal en complexiteit van de middelen waarmee bedrijven die verantwoordelijkheid verwezenlijken, kunnen evenwel variëren naargelang van deze factoren en de ernst van de impact die hun activiteiten op de mensenrechten kunnen hebben. De middelen waarmee een bedrijf invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheid om mensenrechten te respecteren zullen evenredig zijn aan, onder meer, de omvang van de organisatie. De ernst van de impact op de mensenrechten wordt beoordeeld op basis van de schaal, reikwijdte en mate van omkeerbaarheid ervan. Welke middelen een bedrijf ter eerbiediging van de mensenrechten aanwendt kan ook afhangen van de vraag of en in welke mate er binnen een groep dan wel autonoom wordt geopereerd.’

Hoewel de uitspraak van de rechtbank niet alleen tot Shell is gericht en in vele bestuurskamers de nodige opschudding zal hebben veroorzaakt, is van belang om zich te realiseren dat de rechtbank geen – concrete – algemene norm in het leven heeft geroepen. De zorgvuldigheidsnorm die Shell volgens de rechtbank dreigt te schenden, is afgestemd op Shell, waarvan volgens de rechtbank veel van kan worden verwacht (rechtsoverweging 4.4.16):

‘Zij staat aan het hoofd van de Shell-groep met ongeveer 1.100 vennootschappen en is wereldwijd actief in 160 landen. Zij vervult een beleidsbepalende positie binnen de Shell-groep (zie 4.4. onderdeel (1.)), die een belangrijke speler is op de markt van fossiele brandstoffen en verantwoordelijk is voor een substantiële CO2-uitstoot, die groter is dan de uitstoot van vele staten en die bijdraagt aan de opwarming en gevaarlijke klimaatverandering in Nederland en het Waddengebied (zie 4.4. onderdeel (2.), met ernstige en onomkeerbare gevolgen en risico’s voor de mensenrechten van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied (zie 4.4. onderdeel (3.) en (4.)).’

Kenmerkend voor een bedrijf als Shell is dus de omvang, haar wereldwijde aanwezigheid en haar grote impact. In het kader van impact speelt de scope 3 uitstoot een grote rol. Slechts bij weinig andere spelers (afgezien van andere oliebedrijven) zal ook sprake zijn van scope 3 uitstoot. Aangezien volgens de rechtbank de aard en omvang van de maatregelen die ‘andere bedrijven’ moeten nemen om mensenrechten te respecteren afhankelijk is van tal van factoren, betekent dit dat – voor zover de uitspraak standhoudt in hoger beroep (en mogelijk cassatie) – hieruit niet noodzakelijkerwijs dezelfde opdracht van de rechtbank voor andere vennootschappen voortvloeit. Dat ligt misschien ook niet voor de hand. Niet iedere onderneming die CO2 uitstoot heeft zo’n grote impact op het klimaat (sterker, relatief weinig ondernemingen) en/of beschikken over voldoende financiële middelen om ingrijpende maatregelen te kunnen treffen als een wereldwijde systeemspeler als Shell. Daarmee rijst de vraag hoe de rechtbank zou hebben geoordeeld als het zou gaan om de aansprakelijkheid van een minder grote onderneming met minder diepe zakken. Moet ook zij maatregelen te treffen die leiden tot 45 procent CO2-reductie in 2030?

De rechtsonzekerheid die de uitspraak vermoedelijk met zich brengt zal de alertheid op de impact van de bedrijfsvoering op het klimaat in de bestuurskamers hebben doen toenemen. In het licht van de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen die gaande zijn op het gebied van klimaat doen bestuurders er verstandig aan dit onderwerp de nodige aandacht te geven. Bij gebreke van een concrete zorgvuldigheidsverplichting voor vennootschappen in de onderhavige uitspraak en gezien het stakeholdermodel dat we in Nederland kennen, kan deze niet één-op-één op andere ondernemingen worden toegepast, laat staat dat een ernstig verwijt van andere bestuurders snel is gegeven. De toenemende aandacht voor het klimaat vanuit verschillende hoeken van de samenleving maakt naar mijn mening wel dat het bestuur er goed aan doet rekening te (blijven) houden met een ruime(re) kring van belanghebbenden. De – open – norm voor een behoorlijke taakvervulling is weliswaar (nog) niet veranderd, maar de toegenomen aandacht voor het milieu zal een rechter mogelijk ertoe aanzetten deze anders in te kleuren dan in het verleden.

Conclusie

Concluderend verwijs ik naar de mooi verwoorde conclusie in de Inleiding van Smeehuijzen over het vonnis van de rechtbank: ‘Het meeste effect lijkt het vonnis met name in vrij onorthodoxe zin te hebben, namelijk doordat het resoneert in de rechtspraktijk en het politieke debat. Vooralsnog lijkt hetzelfde te gelden voor deze aansprakelijkheidsactie van Milieudefensie jegens het bestuur. Dat neemt niet weg dat er een politieke en maatschappelijke verschuiving gaande is die met zich brengt dat bestuurders er verstandig aan doen oog te (blijven) houden voor een ruime(re) groep belanghebbenden.

Zie ook

Marjan Minnesma eerste Nederlandse winnaar Goldman Environmental Prize

CO₂-uitstoot weer omhoog; Urgenda-vonnis niet nageleefd

Reacties

Laat een reactie achter