Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Belangrijk voor de beantwoording van de vraag, of in een concreet geval sprake is van nuttige toepassing of verwijdering, is wat de eerste handeling is die de afvalstoffen direct na de overbrenging ondergaan. Dit blijkt uit de richtinggevende uitspraak van het Europese Hof van 3 april 2003 in de zaak C-116/01 (Sita EcoService Nederland BV). Uit deze uitspraak is duidelijk geworden dat in het geval een verwerkingsproces van afvalstoffen uit meerdere fasen bestaat, de kwalificatie of er sprake is van een verwijderingshandeling dan wel handeling van nuttige toepassing, moet geschieden door alleen rekening te houden met de eerste handeling die de afvalstoffen na hun overbrenging moeten ondergaan. In die kwestie ging het om de export vanuit Nederland van mengsels van lijm, kit-, hars- en verfafval naar België om daar eerst te worden ingezet als brandstof in de cementovens, om vervolgens de asresten in de klinkerproductie te gebruiken. Uitgaande van de laatste handeling zou betekenen dat er sprake was van nuttige toepassing. Wanneer de eerste handeling als uitgangspunt genomen zou worden was er in dit geval sprake van verwijdering. Er was dus sprake van twee verschillende achtereenvolgende handelingen en de vraag was welke handeling bepalend is voor de kwalificatie. Het Hof overweegt in dit arrest als volgt:

“Om te beginnen zij eraan herinnerd dat voor de toepassing van de richtlijn en van de verordening elke behandeling van afvalstoffen als verwijdering of als nuttige toepassing, moet kunnen worden aangemerkt en eenzelfde handeling niet tezelfdertijd als verwijdering en als nuttige toepassing kan worden gekwalificeerd (arrest van 27 februari 2002, ASA, C-6/00, Jurispr. blz. I-1961, punt 63). Opgemerkt zij evenwel dat ofschoon met betrekking tot het onderscheid tussen nuttige toepassing en verwijdering aan eenzelfde handeling een enkele kwalificatie moet worden gegeven, een verwerkingsproces van afvalstoffen in de praktijk achtereenvolgens meerdere fases van nuttige toepassing of verwijdering kan omvatten. Blijkens de richtlijn en de verordening moet dit verwerkingsproces in een dergelijk geval niet globaal als één enkele handeling worden beschouwd, maar dient voor de toepassing van de verordening aan elke fase een kwalificatie te worden gegeven wanneer zijzelf een afzonderlijke handeling vormt.

Uit de artikelen 6, lid 5, zesde streepje, en 7, lid 4, sub a, vijfde streepje, van de verordening volgt immers dat een handeling die als nuttige toepassing van afvalstoffen wordt aangemerkt, kan worden gevolgd door verwijdering van het niet nuttig toe te passen gedeelte ervan. In een dergelijk geval wordt de kwalificatie van de eerste handeling als nuttige toepassing niet aangetast door het feit dat zij wordt gevolgd door een verwijdering van de resterende afvalstoffen. Voorts blijkt uit punt R 11 van bijlage II B bij de richtlijn dat het gebruik van afvalstoffen die bij een van de in diezelfde bijlage onder R 1 tot en met R 10 genoemde handelingen vrijkomen, zelf een nuttige toepassing vormt, die losstaat van de daaraan voorafgaande nuttige toepassing. Volgens het aldus in deze bijlage gemaakte onderscheid moet dus afzonderlijk worden bepaald, of een handeling onder de behandelingen genoemd onder R 1 tot en met R 10 van deze bijlage valt, zonder dat rekening behoeft te worden gehouden met het eventuele latere gebruik van de afvalstoffen die bij een van die handelingen zijn vrijgekomen, welk gebruik zelf een afzonderlijke handeling vormt.

Wanneer de verordening het heeft over de overbrenging van afvalstoffen en onderscheid maakt tussen overbrengingen van afvalstoffen bestemd voor verwijdering en die van afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing, doelt zij immers op de bewerking die deze afvalstoffen moeten ondergaan wanneer zij op hun plaats van bestemming zijn aangekomen, en niet op de bewerkingen die de aldus behandelde afvalstoffen of de resten ervan later eventueel kunnen ondergaan, welke bewerkingen overigens in een andere verwerkingsinstallatie en na een nieuwe overbrenging kunnen plaatsvinden. Uit de verwijzingsuitspraak blijkt dat de nationale rechterlijke instantie van oordeel is dat in het hoofdgeding het verwerkingsproces dat de betrokken afvalstoffen moeten ondergaan, uit twee afzonderlijke handelingen bestaat, namelijk de verbranding van de afvalstoffen en het gebruik van de asresten ervan als grondstof voor de productie van cementklinkers. Gelet op de voorgaande overwegingen, moet alleen de eerste van deze twee handelingen worden gekwalificeerd om het doel van de overbrenging van de betrokken afvalstoffen te bepalen.”

Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt sindsdien deze lijn en gaat ervan uit dat voorbewerkingen als zelfstandige handelingen moeten worden ingedeeld, en dat de eerste handeling die een afvalstof na de overbrenging ondergaat, bepalend is voor de indeling van een verwerkingswijze.