Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Niet de winstgevendheid is doorslaggevend bij beoordeling nuttige toepassing maar of een relevant deel opnieuw kan worden gebruikt als grondstof - Rechtbank Oost Brabant, 19 oktober 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4983.

Het college van burgemeester en wethouders van Oss heeft een omgevingsvergunning verleend voor een activiteit waarbij een biomassavergistingsinstallatie wordt gewijzigd in een mestbewerkingsinstallatie. Binnen de inrichting wordt drijfmest ontwaterd en worden de restproducten die daaruit ontstaan (dikke fractie en mineralenconcentraat) ingezet als een vervanger van kunstmest. De restproducten (circa 35% uit de drijfmest) worden vervoerd per as, het water (circa 65%) wordt geloosd. De milieuorganisatie MOB gaat hier tegen in beroep. Volgens MOB is het college niet bevoegd om te beslissen op de aanvraag omdat het gaat om een installatie voor de verwijdering van afvalstoffen. Volgens MOB moet de omvang van het nuttig toepasbare product in relatie tot de binnenkomende afvalstroom worden bezien en omdat het geen waardevol restproduct is, lijkt er sprake te zijn van een afvalstof waarvan men zich ontdoet. Het college van B en W stelt dat er sprake is van nuttige toepassing waardoor het zich wel bevoegd acht om de vergunning te verlenen. Volgens B en W hebben de materialen marktwaarde en is de afzet verzekerd. De rechtbank acht – met een verwijzing naar een aantal uitspraken van de Afdeling over de relevante criteria voor nuttige toepassing – dat het voldoende aannemelijk is dat er behoefte bestaat aan de restproducten als meststof ter verbetering van de bodemvruchtbaarheid. De rechtbank vindt de winstgevendheid niet doorslaggevend maar acht het van belang dat dat een substantieel deel van de ingenomen en verwerkte drijfmest opnieuw wordt gebruikt. Er is dus wel sprake van nuttige toepassing en het college van B en W is bevoegd om op de aanvraag te beschikken. Het beroep wordt niet gegrond verklaard.

Het enkel opslaan van afvalstoffen kan ook een handeling van nuttige toepassing zijn - Rechtbank Limburg, 13 januari 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:300.

Het college van burgemeester en wethouders van Venlo heeft een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor op- en overslag van diverse reststoffen van keramisch materiaal en aanverwante stoffen uit de keramische sector. Eiser, een bewoner van een tegenover de inrichting gelegen perceel, heeft beroep aangetekend tegen deze vergunning en de bezwaren hebben in hoofdzaak betrekking op de te verwachten geluidhinder. Eiser heeft ook aangegeven dat er volgens hem sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht als bedoeld in categorie D18.1 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De ruime uitleg die het Hof van Justitie in het Massafra-arrest heeft gegeven aan het begrip afvalverwijdering leidt volgens de rechtbank in het onderhavige geval niet tot de conclusie dat een m.e.r.-beoordelingsplicht aan de orde is omdat behalve opslag op het terrein geen andere handelingen plaatsvinden. Het beroep is op dat punt niet gegrond. De rechtbank heeft het beroep op de overige onderdelen ook verworpen.
Bij deze uitspraak valt wel een kanttekening te plaatsen. In een annotatie in de JM (<JM>2023/44) heeft van der Meulen hier het volgende over opgemerkt:

“ Volgens de rechtbank leidt de ruime uitleg in het Massafra-arrest in het onderhavige geval niet tot een andere conclusie omdat behalve opslag geen andere handelingen plaatsvinden. Hiermee stelt de rechtbank feitelijk dat het enkel opslaan niet onder het begrip ‘nuttige toepassing’ valt. Hier valt de navolgende opmerking bij te plaatsen.

Om na te gaan welke handelingen onder ‘nuttige toepassing’ vallen, moet worden teruggegrepen op de Kaderrichtlijn afvalstoffen waarin het begrip is gedefinieerd.

Hierin, maar ook in art. 1.1 Wet milieubeheer (Wm), is het begrip nuttige toepassing als volgt gedefinieerd: ‘elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt. Bijlage II bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen.

In bijlage II staan de volgende handelingen van nuttige toepassing benoemd:

R 1 Hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking

R 2 Terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen

R 3 Recycling/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostering en andere biologische omzettingsprocessen)

R 4 Recycling/terugwinning van metalen en metaalverbindingen

R 5 Recycling/terugwinning van andere anorganische materialen

R 6 Regeneratie van zuren of basen

R 7 Terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan

R 8 Terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren

R 9 Herraffinage van olie en ander hergebruik van olie

R 10 Uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering

R 11 Gebruik van afvalstoffen die bij een van de onder R 1 tot en met R 10 genoemde handelingen vrijkomen

R 12 Uitwisseling van afvalstoffen voor een van de onder R 1 tot en met R 11 genoemde handelingen

R 13 Opslag van afvalstoffen bestemd voor een van de onder R 1 tot en met R 12 genoemde handelingen (met uitsluiting van tijdelijke opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie)

Het opslaan van afvalstoffen (uitgezonderd afvalstoffen die tijdelijk worden opgeslagen op de plaats van productie) valt dus volgens categorie R 13 ook onder het begrip nuttige toepassing als de afvalstoffen nadien nog verder worden be- of verwerkt. Bij vrijwel elke opslag vindt een vervolghandeling plaats, al dan niet op dezelfde locatie. In de categorie R 13 is niet bepaald dat de vervolghandelingen binnen dezelfde installatie c.q. inrichtingsgrenzen moeten plaatsvinden. Helaas biedt de onderwerpelijke uitspraak niet de informatie om te achterhalen waarom de rechtbank het uitsluitend opslaan niet ziet als een handeling van nuttige toepassing. Daarvoor is het nodig om inzicht te krijgen in de volgende handeling die het keramisch materiaal ondergaat. Het is waarschijnlijk dat het materiaal na een bewerking elders een nieuwe toepassing kan krijgen en dat dit valt onder de R 5-handeling ‘terugwinning van anorganische materialen’. In een dergelijk geval zou het opslaan onder de handeling R 13 kunnen worden geschaard en kan mogelijk ook het louter opslaan als een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in de Kaderrichtlijn worden aangemerkt.

Ofschoon ‘opslaan’ een tamelijk statische handeling impliceert zonder al te veel milieueffecten, kan een m.e.r.-beoordeling wel degelijk relevant zijn in verband met de beoordeling van de doelmatigheid van afvalstoffenbeheer maar bijvoorbeeld ook vanwege de milieueffecten op bodem en op lucht (onder andere stof en geur).

Vliegas in funderingsmortel gebruiken in zoutmijn is nuttige toepassing – ABRvS, 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4206.

Twence is een afvalverwerkend bedrijf dat onder andere afvalstoffen verbrandt. Na de verbranding van de afvalstoffen blijft vliegas over. Dit is een afvalstof die door bedrijven in Duitsland wordt gebruikt voor de productie van mortel om zoutmijnen mee te funderen. Voor de overbrenging naar Duitsland is op grond van Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) toestemming nodig. Die toestemming heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan Twence deels onthouden voor de periode van 1 januari tot en met 31 augustus 2018. De staatssecretaris meent namelijk dat het gebruik van de vliegas geen nuttige toepassing van afval is maar verwijdering van afval. Dit gewijzigde inzicht volgt volgens hem uit het arrest van het Hof van Justitie van 28 juli 2016 in de zaak Bari/Mastrodonato (ECLI:EU:C:2016:60), omdat daaruit zou blijken dat het gebruik van afval door het maken van funderingsmortel en het toepassen van die mortel in zoutmijnen per definitie verwijdering van afval is. Tegen deze beoordeling is het beroep van Twence gericht.

De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld dat er geen redenen zijn om het gebruik van vliegas bij de productie van funderingsmortel voor het opvullen van ondergrondse zoutmijnen niet langer als nuttige toepassing aan te merken. Het bezwaar tegen de overbrenging is volgens de Afdeling ten onrechte gebaseerd op de veronderstelling dat sprake is van verwijdering van afval en niet van een nuttige toepassing. Het beroep van Twence wordt gegrond verklaard. De Afdeling voorziet zelf in de zaak door alsnog toestemming te geven.

Opvullen zandwinplas met baggerspecie is verwijdering – ABRvS, 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2353.

Appellante exploiteert een ontgrondingenplas in de uiterwaarden van de Nederrijn en heeft een omgevingsvergunning milieu (besluit 21 februari 2011) voor het verondiepen van deze plas met baggerspecie (baggerspeciedepot). Het gaat om een vergunde stortplaats – een voormalige ontgrondingenplas – voor zwaar verontreinigde, niet toepasbare, baggerspecie. De vergunninghoudster wilde de ontgrondingenplas ook gaan gebruiken voor grond die op basis van het Besluit bodemkwaliteit nog wel toegepast mag worden. Grond die, gelet op het toepassingsbereik in artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit, ook mag worden gebruikt voor de verondieping en herinrichting van ontgrondingenplassen. Het gaat hier echter om een stortplaats die speciaal is ingericht voor verwijdering van ernstig verontreinigde afvalstromen en het gebruik van schoner materiaal een beslag legt op de schaarse stortcapaciteit. Herinrichting en verondieping is dan ook niet het hoofddoel van de activiteit maar het gevolg van de stortactiviteiten. Het minder verontreinigde materiaal is bedoeld voor nuttige toepassing in casu toepassing op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Verbranden afvalstoffen – ABRvS, 6 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY7563.

“Het gaat om de uitvoer van afvalstoffen naar Duitsland waar deze verbrand gaan worden in een verbrandingsinstallatie. De installatie is ontworpen en opgericht met het oog op opwekken van energie (warmtelevering aan omliggende gebouwen). Daarnaast kan in plaats van de afvalstoffen ook olie worden ingezet als brandstof. Er is sprake van nuttige toepassing (categorie RI “Hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking” van bijlage IIB van de richtlijn).”

Dempen sloot met houtsnippers – Hoge Raad, 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5554.

“De opvatting dat voor de vraag of sprake is van afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing niet van belang is waarvoor die afvalstoffen daadwerkelijk zijn gebruikt, maar dat beslissend is hetgeen de afgever als gebruik voor ogen stond, vindt geen steun in het recht. Het dempen van een sloot met houtsnippers kan niet onder nuttige toepassing worden begrepen.”