Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Paragraaf A.4 van het LAP3 bevat algemene uitgangspunten en algemeen beleid. De afvalhiërarchie uit artikel 10.4 van de Wet milieubeheer wordt in het LAP als volgt verbijzonderd:

a. Preventie;

b. voorbereiding voor hergebruik;

c1. recycling van het oorspronkelijke materiaal in een gelijke of wat betreft de vereiste

kwaliteit van het materiaal vergelijkbare toepassing, waaronder ook mechanische

recycling en chemische recycling in de vorm van ‘monomeer chemische recycling’ en

‘solvolyse’ maar niet als ‘chemische recycling via basischemicaliën’ ;

c2. recycling van het oorspronkelijke materiaal in een niet gelijke of wat betreft de vereiste

kwaliteit van het materiaal niet vergelijkbare toepassing en/of chemische recycling via

basischemicaliën (*);

d. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;

e1. verbranden als vorm van verwijdering;

e2. storten of lozen.

  • n.

De treden c en d zijn aan te merken als handelingen die geschaard kunnen worden onder het begrip nuttige toepassing. Bij trede e gaat het om verwijderingshandelingen.

In paragraaf A.4.3.2 van het LAP3 wordt aangegeven dat de indeling naar nuttige toepassing of verwijdering van een installatie, een verwerkingsproces of een handeling afhangt of het belangrijkste doel van de verwerking nuttige toepassing van een afvalstof (of van delen van de afvalstof) is of dat dit verwijdering is.

Verder gelden de volgende bepalingen:

  • Om van “nuttige toepassing” te kunnen spreken moet het gaan om het terugwinnen van componenten of fracties die bij het verder toepassen ervan in de plaats zullen komen van andere materialen of componenten of, van het klaarmaken van afvalstoffen om andere materialen of componenten te vervangen;
  • De aard en mate van nuttige toepassing moet voldoende zijn om de indeling te rechtvaardigen;
  • In één verwerkingstap of deel van een verwerkingsproces kunnen voor een bepaalde afvalstof alleen handelingen van nuttige toepassing plaatsvinden of alleen handelingen van verwijdering;
  • De indeling van een afzonderlijke handeling kan verschillen van de indeling van een gehele installatie of inrichting waar de handeling plaatsvindt.

In bijlage F.6 zijn de achtergronden bij de indeling naar nuttige toepassing of verwijdering opgenomen. Hierin wordt onder meer ingegaan op de recycling/terugwinning van materialen en stoffen, het thermisch verwerken van afvalstoffen (verbranden) en het op of in de bodem brengen. Aan de hand van de hier weergegeven specifieke criteria kan worden nagegaan of er sprake is van D-handeling of een R-handeling.

In bijlage F.7.2 van het LAP zijn de volgende 18 voorbeelden opgenomen van indelingsvraagstukken:

1. Wegnemen van asbest uit een sloopschip (of PCB-houdende olie uit een transformator)

2. Thermisch immobiliseren van inert materiaal

3. Thermisch reinigen van verontreinigde grond (of teerhoudend asfalt)

4. Sorteren van mengsel van afval

5. Verbranden van afval in een AVI

6. Fysisch-chemische scheiding van olie-water-slib

7. Mechanisch drogen en composteren van zuiveringsslib

8. Mengen van anorganisch afval met andere afvalstoffen voor inzet in een cementoven

9. Inzet van slib; 35% water, 40% organisch, 25% anorganisch in E-centrale of cementoven

10. Op specificatie maken van een oplosmiddel/water-mengsel (>50% water) voor thermische verwerking

11. Thermische verwerking van afval in een installatie onder gelijktijdige terugwinning van

componenten uit het afval

12. Thermisch verwerken van kunststofafval in een hoogoven voor reductie

13. Thermisch verwerken van papierslib en residu toepassen in cement

14. Inzet van verontreinigd zand of glasscherven in een DTO

15. Glasscherven opwerken tot het voldoet aan einde-afval-criteria

16. Opnieuw gebruiken van afgedankte kleding

17. Afgedankte kleding versnijden tot poetsdoeken

18. Gebruik onderdelen uit sloopschepen