Menu

Zoek op
rubriek
Klimaatweb
0

Karen van den Einden: "Verreken milieuschade in prijs van product"

De komende jaren zijn essentieel voor het vormen en uitvoeren van klimaatbeleid. In deze serie bespreken verschillende experts waar het nieuwe kabinet rekening mee moet houden in het regeerakkoord. Deze week Karen van den Einden, senior adviseur Public Affairs en Positionering bij Natuur & Milieu: “Het wordt tijd dat de vervuiler betaalt.”

19 mei 2021

Reeksen

Reeksen

De verkiezingen zijn achter de rug, maar de onderhandelingen beloven nog een hele kluif te worden. Naast de veel bediscussieerde bestuurscultuur liggen er grote uitdagingen voor het nieuwe kabinet op het gebied van klimaat en de stikstofcrisis. De besluiten die de nieuwe bestuurders nú nemen, zijn belangrijk voor de komende decennia. Daarin wordt bepaald of we de verandering in gang zetten die zo hard nodig is om de klimaatdoelen te halen. Onmisbaar hierin is dat het principe van het inprijzen van milieuschade breed wordt doorgevoerd in wetgeving. Het wordt tijd dat de vervuiler betaalt.

Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft berekend dat onze economie jaarlijks 31 miljard euro schade veroorzaakt door de uitstoot van schadelijke stoffen naar bodem, water en lucht. De overheid betaalt het herstel hiervan uit allerlei belastingen, bijvoorbeeld uit btw, loonbelasting of milieubelastingen. De impact op het milieu wordt nauwelijks weerspiegeld in de prijs van een product. Door de milieuschade van een product wél door te gaan rekenen in de prijs ontstaat de “true price” van een product.

In economische termen: de negatieve externe effecten beprijzen, zodat duurzamere alternatieven concurrerender worden. Daarmee krijgt de maker een prikkel om schoner te produceren. Het prijsverschil met milieuvriendelijke alternatieven van bepaalde producten wordt kleiner of verdwijnt. Dat motiveert ook de consument om milieuvriendelijkere producten te kopen. Tegelijkertijd betaalt de gebruiker via een true price en dus de veroorzaker van de vervuiling, en niet de hele samenleving en dus niet de burger via de algemene middelen. Daardoor hoeven we uiteindelijk minder belastinggeld uit te geven aan milieumaatregelen waar we iets anders nuttigs mee kunnen doen.

Goedkoop vliegen

Een voorbeeld is een eerlijke prijs voor vliegen. Vliegen is zó goedkoop dat de vraag enorm is en alternatieven zoals de trein niet meer kunnen concurreren. Iedereen kent wel de commercials om voor “een paar tientjes” naar Barcelona of Londen te vliegen. Deze prijs van vliegen is echter kunstmatig laag. Kerosine is de enige brandstof zonder accijns en een vliegticket is een van de weinige producten waarover geen BTW betaald hoeft te worden. Sinds begin dit jaar is er wel een belasting op vliegtickets, maar deze is nog veel te laag om echt de milieuschade te compenseren en geldt bovendien niet voor de vele in Nederland overstappende passagiers.

Een oplossing in dit voorbeeld is een kerosinebelasting doorvoeren. Hierdoor stijgt de vliegprijs en neemt de vraag naar vliegen af. Het gebruik van schonere alternatieven als trein wordt gestimuleerd en de innovatie van duurzame alternatieven voor fossiele kerosine en zuiniger vliegtechnieken aangejaagd. Daarnaast wordt de trein concurrerend met vliegen op de korte afstanden, door een hogere tickettax in te voeren. De belasting op vliegtickets van € 7,84 die is ingevoerd per 2021 is een van de laagste in Europa. Bovendien kennen de meeste landen een sterke differentiatie van de hoogte van de belasting naar vliegafstand en soms ook reisklasse. Nu betaal je voor een kop koffie op Schiphol bijna net zoveel als de belasting op je vliegticket. Als alle milieuschade en belastingen wel worden doorberekend, ligt de prijs van een vliegticket gemiddeld 63 procent hoger dan de huidige prijs. Voeren we dit door, dan wordt vliegen naar Londen snel geen vanzelfsprekend besluit meer.

Veel draagvlak

Helaas passen we dit economische principe nog niet breed in onze wet- en regelgeving toe. Gemiste kans, want uit een recente opiniepeiling van Kien Onderzoek blijkt dat er hiervoor zeker draagvlak bestaat onder consumenten.(1) Deze peiling werd uitgevoerd onder ruim 1000 respondenten met verschillende politieke voorkeuren. Hieruit bleek dat 86,1 procent van de respondenten achter het principe ‘De vervuiler betaalt’ staat.

We zien dit draagvlak terug bij politieke partijen: veel partijen hebben het principe ‘De vervuiler betaalt’ in hun verkiezingsprogramma staan. Ook leeft het principe steeds meer onder ambtenaren: een uitgebreide beleidsstudie, genaamd de Brede Maatschappelijke Heroverwegingen (BMH), besteedt veel aandacht aan de mogelijkheden voor het inprijzen van milieuschade.(2) Deze BHM’s geven inzicht in mogelijke beleidskeuzes voor de toekomst van Nederland op de langere termijn en zijn geschreven door ambtenaren. Ze vormen een onderdeel voor de voorbereidingen voor een volgende kabinetsperiode. Het is hoopvol dat het principe hierin van meerdere kanten wordt belicht.

De komende weken gaat de formatie echt van start. Willen we de verandering voor elkaar krijgen die zo hard nodig is voor het klimaat, dan moet de vervuiler gaan betalen. Dit prachtprincipe verdient een prominente plek in het regeerakkoord.

Zie ook

Marjolein Dieperink: “Wetgevingsprogramma klimaatverandering en energietransitie moet prioriteit zijn van het nieuwe kabinet”

Carolien Gehrels: "De industrie is het vliegwiel voor verduurzaming"

Voetnoten

  1. https://www.natuurenmilieu.nl/themas/kenniscentrum/duurzaam-ondernemen-concurrerend-maken/

  2. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/04/22/rapporten-brede-maatschappelijke-heroverwegingen

Artikel delen

Reacties

Laat een reactie achter