Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

Voor de volledigheid wordt ingegaan op de criteria die volgden uit de arresten en die ten grondslag hebben gelegen aan de huidige criteria in de artikelen 5 en 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Zoals gezegd is naar aanleiding van prejudiciële vragen van ABRvS door het Hof bij uitspraak van 15 juni 2000 bepaald, dat de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld “met inachtneming van alle omstandigheden” en mag het begrip “afvalstof” niet restrictief worden uitgelegd.

Het Hof hanteert bij de beoordeling van het begrip “afvalstof” een aantal aanwijzingen die als beoordelingscriteria kunnen dienen.

De beoordelingscriteria zijn:

  • Wanneer een stof onderworpen is aan Bijlage IIB van de richtlijn (Kaderrichtlijn uit 1975) kan daaruit niet worden afgeleid dat er sprake is van een zich ontdoen van en dat die stof als een afvalstof, in de zin van de richtlijn, moet worden aangemerkt.
  • De methode van behandeling of de wijze van toepassing van een stof is niet doorslaggevend voor de kwalificatie van deze stof als afvalstof, maar kan wel als een aanwijzing worden gezien dat er sprake is van een afvalstof.
  • Stoffen die voor economisch hergebruik geschikt zijn kunnen desondanks onder het begrip “afvalstof” vallen.
  • Stoffen of voorwerpen die op milieuverantwoorde wijze en zonder ingrijpende bewerking nuttig kunnen worden gepast, kunnen nog steeds onder het begrip “afvalstof” vallen.
  • Maatschappelijke opvattingen kunnen een aanwijzing zijn dat er sprake is van een afvalstof, ook al wordt het gebruik ervan een gangbare methode van nuttige toepassing van afvalstoffen gezien.
  • Een residu dat voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking komt, is een aanwijzing dat er sprake is van een afvalstof. De stof is enkel verkregen om zich ervan te ontdoen.
  • Een aanwijzing dat een stof als afvalstof moet worden aangemerkt, is dat de stof zich qua samenstelling niet leent voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt, of dat voor dat gebruik bijzondere voorzorgsmaatregelen voor het milieu moeten worden getroffen.
  • Een afvalstof die een handeling heeft ondergaan waarmee de nuttige toepassing is voltooid, waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken van een grondstof heeft verkregen, neemt niet weg dat die stof als een afvalstof kan worden aangemerkt wanneer de houder zich ervan moet ontdoen, zich ervan ontdoet of voornemens is zich ervan te ontdoen.
  • Als een eenvoudige scheidingshandeling of voorbewerking, zoals het vermalen, niet tot gevolg heeft dat die voorwerpen of stof een aan een grondstof gelijkwaardig product worden, dat dezelfde kenmerken bezit als die grondstof en kan worden gebruikt wanneer dezelfde voorzorgsmaatregelen voor het milieu worden getroffen, is dat een aanwijzing dat er sprake is van een afvalstof.
  • De toekomstige bestemming van een voorwerp of een stof is niet van invloed op het karakter van afvalstof van deze stof.
  • Een stof is een productresidu en niet als zodanig voor het gebruik beoogd geproduceerd.
  • Een stof is een residu dat zich qua samenstelling niet leent voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
  • Voor het gebruik van de stof moeten bijzondere voorzorgsmaatregelen worden getroffen wegens het schadelijke karakter van de samenstelling van de stof voor het milieu.

In de uitspraken van de Raad van State, maar ook bij de rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad zien wij dat de arresten van Arco Chemie (C-418/97 en C-419/97, evenals de arresten van Palin Granit (C-09/00) en AvestaPolarit (C-114/00) bij de beoordeling of een stof een afvalstof is of niet, in veel gevallen worden aangehaald.

Om te kunnen bepalen wanneer een reststof moet worden aangemerkt als grondstof en wanneer als afvalstof zijn er, gebaseerd op de Europese jurisprudentie, criteria geformuleerd. In het LAP1 waren deze criteria opgenomen. Eerder waren deze gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2001, 207) om duidelijkheid te creëren na een aantal uitspraken van het Europese Hof.

De criteria waren:

  • De stof is gelijkwaardig aan een overeenkomstige primaire grondstof.
  • De stof bezit dezelfde kenmerken als de grondstof.
  • In de stof zitten geen andere verontreinigingen dan in de overeenkomstige primaire grondstof.
  • De stof kan rechtstreeks, zonder dat een aan een afvalstof gerelateerde voorbehandeling nodig is, worden ingezet in een productieproces dat ook alleen op basis van primaire grondstoffen kan bestaan.
  • De stof leent zich qua aard en samenstelling voor het gebruik (volgens oorspronkelijke bestemming) dat ervan wordt gemaakt.
  • De stof is beoogd geproduceerd waarbij de productie kan worden gestuurd.
  • Door de inzet van de stof ontstaat geen enkel additioneel risico ten opzichte van de inzet van de reguliere primaire grondstof.
  • Er hoeven geen bijzondere voorzorgsmaatregelen te worden getroffen voor de inzet van de stof.
  • De stof heeft geen negatieve waarde.
  • Er is een reguliere markt voor de stof.

Het niet voldoen aan één of meer van deze criteria kon tot de conclusie leiden dat sprake was van een afvalstof. Na 2001 heeft het Hof nog enkele belangrijke arresten gewezen over het begrip afvalstof (zie de voorgaande paragraaf). Op grond van deze arresten konden aan de LAP1-criteria worden toegevoegd:

  • De mate van waarschijnlijkheid van hergebruik dient groot te zijn (o.a. AvestaPolarit).
  • Een afvalstof behoudt de kwalificatie afvalstof zolang de recyclingshandeling niet is voltooid (o.a. Niselli).