Op grond van artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98) is het mogelijk om sommige specifieke afvalstoffen niet langer als afvalstof, in de zin van de richtlijn, te beschouwen wanneer zij een recyclingshandeling hebben ondergaan, en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden. In artikel 6, lid 1, van de Kaderrichtlijn, zoals laatstelijk gewijzigd in 2018 (2018/851),is het volgende bepaald:
"1. De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat afval dat een behandeling voor recycling of andere nuttige toepassing heeft ondergaan niet langer als afval wordt beschouwd indien het aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) de stof of het voorwerp is bestemd om te worden gebruikt voor specifieke doelen;”
Op grond van het tweede lid ziet de Commissie toe op de ontwikkeling van nationale einde afvalcriteria in de lidstaten en beoordeelt zij of er op basis daarvan voor de gehele Unie geldende criteria moeten worden ontwikkeld. In het tweede lid is daarbij aangegeven: "Die gedetailleerde criteria waarborgen een hoog niveau van bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid en bevorderen een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Zij hebben met name betrekking op:
Op dit moment zijn voor de volgende afvalstromen op Europees niveau einde-afvalfasecriteria opgesteld:
De systematiek van de bovenstaande verordeningen is dat specifiek is omschreven welke kwaliteitscriteria gelden voor het door terugwinning verkregen materiaal wil er sprake zijn van een einde-afvalstatus. De criteria omvatten, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen en houden rekening met eventuele nadelige milieugevolgen van de stof of het voorwerp. Tevens worden in de verordeningen eisen gesteld aan onder andere kwaliteitsbewaking en certificering.
Er wordt weleens gedacht dat na het vaststellen van een "End of Waste"-status men "verlost" is van alle administratieve en technische verplichtingen die samenhangen met het afvalstoffenkarakter van een stof. Niets is echter minder waar. In de Verordening EG/333/2011 (metaalschroot) zijn bijvoorbeeld voor verschillende soorten metaalschroot kwalitatieve criteria opgenomen (bijvoorbeeld aanwezigheid van restverontreiniging) en tevens is bepaald dat elke producent bij elke partij een conformiteitsverklaring levert (art. 5 van de Verordening EG/333/2011). Om te waarborgen dat alleen gewaarborgde afvalstoffen als inputmateriaal worden toegepast, moeten de verwerkers een acceptatiecontrole uitvoeren van de ontvangen afvalstoffen. De producent moet in zijn bedrijf ook een kwaliteitsbewakingssysteem hebben. Het is dus zeker niet zo dat elke partij metaalschroot voortaan niet meer kan worden aangemerkt als afvalstof. Slechts onder strikte voorwaarden kan er gesproken worden van metaalafval in de einde-afvalfase. Op dat moment is er sprake van een grondstof en van vrij verkeer.
Artikel 6 van de Kaderrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 1.1, lid 6, van de Wet milieubeheer.
Ook op nationaal niveau kunnen "einde-afvalfase"-criteria worden vastgesteld. Ingevolge artikel 1.1, lid 7 van de Wet milieubeheer ) kan de minister van Infrastructuur en Waterstaat inzake een afvalstof die een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing heeft ondergaan, besluiten dat deze niet langer als afvalstof wordt aangemerkt, indien wordt voldaan aan de toepassing van de voorwaarden bedoeld in het zesde lid en er nog geen Europese criteria zijn vastgesteld. Het is dus mogelijk om bij ministeriële regeling per afvalstroom einde-afvalfase criteria vast te stellen. Op 5 februari 2015 is de ministeriële regeling gepubliceerd waarmee de einde-afvalstatus van recyclinggranulaten is vastgelegd (Regeling vaststelling van de status einde-afval van recyclinggranulaat).. De regeling geeft de criteria om vast te stellen of puingranulaat een afvalstof is of niet. De criteria zijn voor het grootste deel reeds bestaande regels voor bouwstoffen zoals die in Nederland en Europa gelden en zijn vastgelegd in de beoordelingsrichtlijn BRL 2506. Aan producenten worden daarnaast eisen gesteld aan de acceptatieprocedure ingaande afvalstromen, productiecontrole en kwaliteitsborging. Uiteraard zijn er ook eisen gesteld aan de samenstelling van de granulaten. De regeling voorziet voorts in een controlesysteem met conformiteitsverklaringen die bij transport en levering aanwezig moeten zijn.
Nadeel van een "per geval"-benadering of nationale einde-afvalcriteria is dat andere lidstaten mogelijk een andere beoordeling uitvoeren en als het afval over de grens gaat, het alsnog als afvalstof wordt aangemerkt met alle bijkomende consequenties. Om die reden heeft een Europese einde-afvalstatus duidelijk de voorkeur.
Bijproduct versus einde-afval
Het cruciale verschil tussen een bijproduct en een einde-afvalfasestof is dat een bijproduct nooit een afvalstof is geweest terwijl bij een einde-afvalfasestof pas na bewerking en controle weer de status krijgt.
Specifiek aandachtspunt voor stoffen die als einde-afval worden aangemerkt is dat er mogelijk andere verplichtingen gaan gelden. Afvalstoffen vallen namelijk niet onder de Europese Verordening Registratie, Evaluatie, Autorisatie en Restrictie van Chemische Stoffen (REACH, EG 1907/2006). In het arrest van het Hof van Justitie van 7 maart 2013 (ECLI:EU:C:2013:142, C-358/11) is dat onder meer bevestigd. Gevolg van de einde afvalstatus is dat bepaalde chemische stoffen die onder de REACH vallen, geregistreerd moeten worden als (chemische) grondstof.
Hoofstuk B.6 van LAP3 en de Handreiking afvalstof of niet-afvalstof geven inzichten over einde-afvalbeoordeling, onder andere avlbav(Ministerie vargaat in op de criteria voor einde-afvalstoffen. De HandreiukiLeidraad afvalstof of product van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (juli 2018) bevat een overzicht van jurisprudentie. Tevens biedt het ministerie de mogelijkheid om een zogenaamd “rechtsoordeel” over de afvalstatus te vragen. Dit bevat een op een specifieke casus toegesneden beoordeling of sprake is van een afvalstof aan de hand van de voorwaarden en criteria voor bijproducten en einde-afvalstoffen. Het rechtsoordeel heeft niet de status van appellabel besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is uitsluitend bedoeld als ondersteuning van beoordelingen en besluiten door het bestuursorgaan.
Enkele voorbeelden uit de jurisprudentie:
Onvoldoende informatie voor beoordeling einde-afvalstatus van PVC-afval komt voor rekening van overbrenger- Afdeling bestuursrechtspraak 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4838 en 4839
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft aan het bedrijf PVC Recycling een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van herhaling van de overtreding van bepalingen uit de EVOA en de Wm, omdat sprake zou zijn van illegale overbrenging van afvalstoffen. PVC recycling is het er niet mee eens dat de stoffen als afvalstoffen worden aangemerkt. Er zou sprake zijn van stoffen die de einde-afvalstatus hebben bereikt. De Afdeling gaat in op de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor de einde-afvalstatus en de informatie die moet worden aangeleverd voor een goede beoordeling daarvan. De staatssecretaris mocht zich op het standpunt stellen dat onvoldoende informatie was aangeleverd voor het oordeel dat sprake was van een einde-afvalstatus en heeft de stoffen als afvalstoffen mogen aanmerken. Omdat deze uitspraak duidelijk toetst aan de vier criteria wordt deze hieronder weergegeven:
“2. PVC Recycling is een bedrijf dat zich bezighoudt met het recyclen van PVC-materialen. De diverse door PVC Recycling vervaardigde (grond)stoffen worden vervolgens, onder meer, verkocht en in containers overgebracht naar het buitenland.
In april en mei 2022 wilde PVC Recycling vijf containers overbrengen naar respectievelijk India, Algerije en Guatemala. Omdat op deze landen het OESO-besluit niet van toepassing is, mogen daar op grond van artikel 10.60, tweede lid, van de Wm in samenhang met artikel 2, onder 35, sub f, van de EVOA geen PVC-afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB 2008 L 312; hierna: de Kaderrichtlijn afvalstoffen) naartoe worden overgebracht. Na controle van de vijf containers is de staatssecretaris tot de conclusie gekomen dat hij over onvoldoende informatie beschikte om te kunnen beoordelen of de containers wel of geen afval bevatten. Bij gebrek aan informatie is de inhoud daarom als afval gekwalificeerd en zijn de containers tegengehouden.
Bij besluit van 1 juni 2023 heeft de staatssecretaris aan PVC Recycling een last onder dwangsom opgelegd om herhaling van overtreding van bovengenoemde artikelen te voorkomen. In het besluit op bezwaar van 10 oktober 2023 heeft de staatssecretaris geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit.
3. PVC Recycling is het er niet mee eens dat de door haar vervaardigde stoffen als afval worden aangemerkt. Volgens PVC Recycling heeft zij voldoende informatie overgelegd waaruit blijkt dat de stoffen de einde-afvalstatus hebben bereikt.
4. Stoffen die bij een bedrijf binnenkomen met de status ‘afval’, kunnen deze ook weer kwijtraken. In artikel 6, eerste lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen staan de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om te kunnen bepalen of een stof de status einde-afval krijgt. Dit artikel is geïmplementeerd in artikel 1.1, achtste lid, van de Wm.
4.1. Artikel 1.1, achtste lid, van de Wm luidt als volgt:
“Afvalstoffen die een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing hebben ondergaan, worden niet langer als afvalstoffen beschouwd, indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
a) de stoffen, mengsels of voorwerpen zijn bestemd om te worden gebruikt voor specifieke doelen;
b) er is een markt voor of vraag naar de stoffen, mengsels of voorwerpen;
c) de stoffen, mengsels of voorwerpen voldoen aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en
d) het gebruik van de stoffen, mengsels of voorwerpen heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.”
4.2. Op grond van artikel 50, 4bis, van de EVOA kan de staatssecretaris, om na te gaan of de stoffen afvalstoffen zijn, verlangen dat PVC Recycling bewijsstukken verstrekt. Uit overweging 6 van de preambule van verordening (EU) 660/2014, waarmee lid 4bis aan artikel 50 van de EVOA is toegevoegd, kan worden afgeleid dat de controlerende autoriteiten in de lidstaten de mogelijkheid moeten hebben om informatie te eisen teneinde de legaliteit van overbrengingen na te gaan. Het gaat er daarbij vooral om dat gecontroleerd kan worden wat er in dat derde land met de stof gaat gebeuren en of dit op een ecologisch verantwoorde manier zal worden verwerkt dan wel nuttig toegepast, zodat het de einde-afvalstatus bereikt. Kort gezegd moet deze informatie duidelijk maken dat de stof niet langer een stof is waarvan men zich wil ontdoen.
4.3. De Afdeling overweegt dat, gelet op artikel 1.1, achtste lid, van de Wm, ten eerste duidelijk moet zijn dat de afvalstoffen een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing hebben ondergaan. Dat hiervan sprake is, is in deze zaak niet tussen partijen in geschil.
Om te kunnen beoordelen of voldaan is aan voorwaarde a) van artikel 1.1, achtste lid, van de Wm, dus of een stof bestemd is om te worden gebruikt voor een specifiek doel, is informatie nodig over het beoogde gebruik. PVC Recycling merkt terecht op dat dit niet inhoudt dat een stof pas de einde-afvalstatus kan bereiken na voltooiing van de beoogde toepassing, maar dat doet er niet aan af dat ook in een eerder stadium al duidelijkheid moet worden verschaft over de uiteindelijke toepassing van de stof. Dit kan bijvoorbeeld door informatie te verschaffen over de uiteindelijke producten die van de stof gemaakt zullen worden of door op andere wijze aan te tonen dat de vervaardigde stoffen voor specifieke doelen zoals bedoeld in artikel 1.1, achtste lid onder a van de Wm gebruikt zullen worden.
Vervolgens moet om te voldoen aan voorwaarde b), beoordeeld worden of er een markt is voor of vraag naar de stoffen. Dit kan bijvoorbeeld worden aangetoond door informatie te verschaffen over de afnemer(s) van de stoffen.
Daarna moet voor voorwaarde c) worden beoordeeld of de stof voldoet aan de technische voorschriften en geldende wetgeving. Hiervoor zijn twee dingen van belang: waar gaat de stof voor gebruikt worden en wat is precies de samenstelling van de stof? Alleen als duidelijk is waarvoor een stof gebruikt zal worden, is bekend welke technische voorschriften en wetgeving gelden, en alleen als duidelijk is wat de samenstelling van de stof is, kan beoordeeld worden of aan die voorschriften en wetgeving wordt voldaan.
Ten slotte is om te kunnen toetsen aan voorwaarde d) van belang of beoordeeld kan worden dat het gebruik van de stoffen over het geheel genomen geen ongunstig effect heeft voor het milieu of de menselijke gezondheid. Ook hiervoor is van belang om te weten wat de samenstelling van de stoffen is en, indien van toepassing, welke bewerking deze hebben ondergaan.
4.4. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat PVC Recycling onvoldoende gegevens heeft overgelegd om te kunnen beoordelen of aan de einde-afvalcriteria is voldaan. De voornaamste reden hiervoor is dat PVC Recycling haar stellingen niet tot nauwelijks heeft onderbouwd. Zo is bijvoorbeeld te weinig consistente informatie verschaft over het beoogde gebruik en of daar een markt voor is. De stoffen in de container die naar India zou worden verscheept, waren volgens PVC Recycling bedoeld om PVC buizen van te maken. Er zit echter geen stuk in het dossier dat dit onderbouwt. De twee containers die naar Algerije zouden worden verscheept, bevatten volgens PVC Recycling ook stoffen die bedoeld waren om PVC buizen van te maken. Hoewel er een intentieverklaring van de afnemer bij de stukken zit, komt de daarin gegeven omschrijving van het materiaal niet overeen met de labels op de zakken in de containers. Ten slotte zou van de stoffen in de containers die naar Guatemala zouden worden overgebracht, schoenzolen worden gemaakt. De omschrijving van het materiaal door de afnemer komt echter niet overeen met de omschrijvingen van de materialen die zijn aangemeld bij de douane. Daarnaast zijn de materialen die in de zakken in de containers zitten heel verschillend. Gelet hierop heeft PVC Recycling voor geen enkele container aangetoond wat er daadwerkelijk met de stoffen zou gebeuren. Niet door informatie over te leggen over het specifieke beoogde gebruik en de afnemers van de stoffen, en ook niet op andere wijze. PVC Recycling heeft dan ook geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat aan de voorwaarden onder a) en b) is voldaan. Verder heeft PVC Recycling ook niet aangetoond dat de stoffen voldoen aan de technische voorschriften en geldende wetgeving noch dat ze geen ongunstige effecten hebben op het milieu of de menselijke gezondheid. Zo heeft PVC Recycling de staatssecretaris bijvoorbeeld geen inzicht verschaft in haar bewerkingsmethoden of de precieze samenstelling van de stoffen. Ook ten opzichte van de voorwaarden onder c) en d) heeft PVC Recycling dan ook onvoldoende informatie overlegd om te kunnen beoordelen of hieraan wordt voldaan.
4.5. Gelet op het voorgaande mocht de staatssecretaris tot de conclusie komen dat PVC Recycling onvoldoende gegevens heeft overgelegd om te kunnen beoordelen of aan de cumulatieve vereisten van artikel 1.1, achtste lid, van de Wm is voldaan.
Het betoog slaagt niet.”
Houtafval dat wordt gebruikt in een biomassacentrale wordt aangemerkt als afval zolang niet is vastgesteld dat aan de einde-afvalcriteria is voldaan - ABRvS, 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3328.
In deze uitvoerige en uitgebreid gemotiveerde navolgbare uitspraak komt de Afdeling tot de conclusie dat er onvoldoende informatie is om vast te stellen dat er geen sprake is van afvalstoffen. Het begrip ‘ontdoen van’ is hierbij bepalend: er dient informatie beschikbaar te zijn over de herkomst en de intentie van diegenen die zich van de houtresten (waarvan de pellets zijn gemaakt) hebben ontdaan. De houtresten waarvan de pellets gemaakt zijn, zijn afkomstig uit de bos- en houtsector en – ongeacht de kwaliteit – is niet met zekerheid vastgesteld dat men zich daarvan wilde ontdoen. Het interessante in deze uitspraak is dat de Afdeling aangeeft dat dit anders zou zijn als met de verwerking van de houtresten tot houtpellets de einde-afvalfase bereikt wordt. Omdat de houtresten op enig moment zijn verwerkt tot pellets (drogen, malen, verpakken etc.) is dit ook namelijk een reële optie. In de uitspraak is onder meer het volgende overwogen:
“ [..] Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:665), moet dit begrip worden uitgelegd met inachtneming van de door het Hof over dit begrip gevormde jurisprudentie. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de vraag of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (arrest van 18 april 2002, Palin Granit, ECLI:EU:C:2002:232, punt 24, en arrest van 14 oktober 2020, Sappi Austria, ECLI:EU:C:2020:824, punt 45). Bij beantwoording van die vraag is vooral het gedrag van de houder in relatie tot de betekenis van de woorden “zich ontdoen van” relevant (arrest van 7 november 2022, Porr Bau, ECLI:EU:C:2022:885, punt 33). In dit verband verdient volgens het Hof bijzondere aandacht of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat deze stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen (arrest van 12 december 2013, Shell Nederland, ECLI:EU:C:2013:821, punt 42 en het hiervoor genoemde arrest Porr Bau, punt 38).”
“ [..] De omstandigheid dat de houtpellets zijn gemaakt van resten uit de bos- en houtsector, leidt ertoe dat het college niet op voorhand kon uitsluiten dat het gaat om houtresten waarvan de houder zich wilde ontdoen. De overige informatie die Vattenfall heeft verstrekt, sluit dat naar het oordeel van de Afdeling ook niet uit. Gelet op het toetsingskader, zoals dat is weergegeven onder 14.1, maakt de omstandigheid dat sprake is van schoon, onbehandeld hout, niet dat het college daarom kon uitsluiten dat die houtresten als een afvalstof moeten worden aangemerkt in de context van de beoordeling of de biomassacentrale als een mer-plichtige installatie, bedoeld in categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, moet worden gekwalificeerd. Ook leidt de omstandigheid dat de houtpellets aan de duurzaamheidseisen en de “I2” normen uit de genoemde NEN-norm voldoen er niet toe dat het college voor de beoordeling of een milieueffectrapport moest worden opgesteld, kon uitsluiten dat sprake is van een afvalstof. Deze eisen en normen waarborgen weliswaar in algemene zin onder meer de samenstelling en eigenschappen van de houtresten en de traceerbaarheid van de herkomst van de houtresten waarvan de houtpellets zijn gemaakt, maar zeggen niets over de concrete herkomst van de houtresten en ook niets over wat de intentie van de houder van die houtresten was.”
Niet verontreinigde grond is geen einde-afvalstof maar een bijproduct - Hof van Justitie van de EU, 17 november 2022, ECLI:EU:C:C:2022:497 (C-238/21).
Bij een bouwproject in Oostenrijk wordt niet-verontreinigde grond afgegraven. Een aantal landbouwbedrijven in de omgeving wil deze grond gebruiken voor egalisering en bodemverbetering en wil daarvoor ook een vergoeding betalen aan het bouwbedrijf Porr Bau GmbH. Porr Bau GmbH wil de grond ook graag aan de landbouwers leveren maar stuit op het Bezirkshauptmannschaft Graz-Umgebung dat het materiaal beschouwt als een afvalstof en daarover afvalstoffenheffing wil laten betalen. Porr Bau GmbH gaat tegen deze beslissing in beroep bij het Landesverwaltunsgericht Steiermark. Deze rechter vraagt aan het Europese Hof een prejudiciële beslissing en stelt de vragen over de uitleg van art. 6 Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98 waarin bepalingen zijn opgenomen over de einde-afvalfase. De advocaat-generaal L. Medina is in haar conclusie eerst ingegaan op de vraag of de afgegraven grond wel als een afvalstof kan worden beschouwd en/of er geen sprake is van een bijproduct. De A-G meent dat art. 6 lid 1 Richtlijn 2008/98 (Kaderrichtlijn afvalstoffen) in een geval als dat in het hoofdgeding niet kan worden toegepast, omdat art. 3, punt 1 (begrip afvalstof), en art. 5 lid 1 (bijproduct) van diezelfde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat niet-verontreinigde afgegraven grond van de hoogste kwaliteitsklasse die wordt geleverd op verzoek van plaatselijke landbouwers in verband met grondaanpassing en -verbetering, nadat deze grond is geselecteerd en een kwaliteitscontrole heeft ondergaan, geen afvalstof is maar een bijproduct, mits aan de voorwaarden van art. 5 lid 1 onder a) tot en met d) Richtlijn 2008/98 is voldaan.
Twee lidstaten ruziën over afval of einde afvalstof (Geobal – teerzuur) – Hof van Justitie van de EU, 14 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:200 (C-399/17).
Als er binnen de Europese Unie afval illegaal van de ene naar de andere lidstaat wordt overgebracht, dan bestaat er een Unierechtelijke verplichting voor het land van waaruit het afval werd verscheept om het afval in kwestie terug te (laten) nemen. Polen eiste dat een uit Tsjechië afkomstige afvalstof zou worden teruggenomen, maar Tsjechië weigerde daaraan mee te werken omdat het niet om een afvalstof zou gaan. Daarop startte de Commissie een niet-nakomingsprocedure. In een dergelijke procedure dient de Commissie de gestelde niet-nakoming aan te tonen, zo blijkt uit de vaste rechtspraak van het Hof. In casu slaagde de Commissie daar niet in. Het feit dat het beroep van de Commissie is verworpen betekent geenszins dat de betreffende stof nu kan worden aangemerkt als een einde- afvalstof. De Commissie (of eigenlijk lidstaat Polen) had in deze kwestie direct na de overbrenging grondiger research moeten doen.
Bewerkt zuiveringsslib geen einde-afvalstof – Hof van Justitie van de EU, 28 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:264 (C-60/18).
Een bedrijf dat zuiveringsslib bewerkt wil dat de Estse autoriteiten dit slib niet langer als afvalstof beschouwen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie beziet de einde-afvalregels in de Kaderrichtlijn afvalstoffen en concludeert dat die aan lidstaten de mogelijkheid bieden om af te zien van de vaststelling van de einde-afvalfase van een product of stof dan wel om geen enkele norm vast te stellen waarvan de inachtneming ertoe zou leiden dat het product of de stof in kwestie niet langer een afvalstof is. Dat is met name het geval indien de nuttige toepassing van de stof, zoals in casu het zuiveringsslib, bepaalde risico’s voor het milieu en de menselijke gezondheid met zich meebrengt en met name risico’s die verband houden met de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen.
Houten pallets zijn geen einde-afvalstof – Gerechtshof Amsterdam, 19 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3732.
Aan een verdachte is ten laste gelegd dat hij bedrijfsafvalstoffen, te weten houten pallets, grof puin en plastic, op en in de bodem van een weiland en een sloot heeft gebracht zonder vergunning of ontheffing. Volgens verdachte zijn de gebruikte pallets gemaakt van onbehandeld en schoon hout, derhalve een bodemeigen product, welke geen nadelig effect heeft voor het milieu of de volksgezondheid. De verdachte heeft door de pallets bij de oever op en in de bodem van een weiland te brengen, beoogd hiermee de bodem te verstevigen en de (aan)groei van riet aan de oever van dat weiland te bevorderen. Het Hof vat dit betoog van de verdachte aldus op, dat hij zich op het standpunt stelt dat hij door zijn handelingen een nuttige toepassing heeft gegeven aan de pallets, waardoor deze niet langer als afvalstof kunnen worden aangemerkt.
Het Hof beoordeelt vervolgens aan de hand van de “einde-afvalfase”-criteria uit artikel 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98 (overgenomen in artikel 1.1, lid 6 Wm) of de betreffende stoffen hun juridische status als afvalstoffen hebben verloren. Deze criteria zijn: a. de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen, b. er is markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp, c. de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen en d. het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid. Omdat aantoonbaar niet wordt voldaan aan deze criteria, wordt het verweer van verdachte verworpen. Er is sprake van een overtreding van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van tweeduizend euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door dertig dagen hechtenis.
Fluxolie – ABRvS, 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4130.
Ontwaterde boor-, snij-, slijp- en walsolie (bssw-olie) wordt overgebracht naar een afvalbewerkingsinrichting waar deze olie na bewerking wordt verkocht als fluxolie in de staalindustrie. De minister is van mening dat er sprake is van een afvalstof, het bedrijf vindt dat de stoffen op de markt worden gezet als grondstof en dat het einde-afvalstadium is bereikt.
"5.3. Vast staat dat er geen overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Kaderrichtlijn op communautair niveau opgestelde criteria bestaan die op de bij North Refinery geproduceerde fluxolie van toepassing zijn. In het arrest van 7 maart 2013, C-358/11, ECLI:EU:C:2013:142, punten 55 en 56, heeft het Hof van Justitie bevestigd dat lidstaten in dat geval krachtens artikel 6, vierde lid, van de Kaderrichtlijn, rekening houdend met de toepasselijke rechtspraak, per geval dienen te beslissen of bepaalde afvalstoffen niet langer afvalstoffen zijn.
5.6. De fluxolie is geen last voor North Refinery waarvan zij voornemens is zich te ontdoen. North Refinery produceert deze stof juist welbewust om deze onder economisch gunstige omstandigheden te verhandelen. Het risico dat North Refinery zich van de fluxolie zal ontdoen door deze stof onbeheerd achter te laten, ongecontroleerd te lozen of te verwijderen, moet dan ook als verwaarloosbaar worden aangemerkt. Verder moet worden geconcludeerd dat de fluxolie zonder bijzondere handelingen als reductiemiddel in de staalindustrie kan worden ingezet en daar ook daadwerkelijk wordt ingezet, en dat deze inzet wat milieugevolgen betreft vergelijkbaar is met de inzet van andere als reductiemiddel gebruikte stoffen.
Met inachtneming van alle omstandigheden van dit geval, is de Afdeling van oordeel dat de fluxolie niet kan worden aangemerkt als een stof waarvan North Refinery zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 1, van de Kaderrichtlijn. De bij North Refinery geproduceerde fluxolie is daarom geen afvalstof. De staatssecretaris heeft zijn bezwaar ten onrechte gebaseerd op de opvatting dat deze fluxolie wel een afvalstof is."
Zie ook de gelijksoortige uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 inzake basisolie(ECLI:NL:RVS:2014:4149).
Stickerfolie – ABRvS, 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2212.
De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft aan appellante een last onder dwangsom opgelegd omdat zij rollen met stickerfolie wilde overbrengen van Nederland naar India zonder dat daarvoor een kennisgeving op grond van de EVOA was gedaan en zonder dat de vereiste schriftelijke toestemming was verkregen. Het betreffen voor de productie van stickers onbruikbaar geworden folierollen die zijn ontstaan bij het opstarten van het productieproces in de foliefabriek. Appellante betoogt onder meer dat de rollen stickerfolie hun afvalstoffenkarakter hebben verloren vanwege toepassing van de einde-afvalfase regeling van artikel 6 van de Kaderrichtlijn (End of Waste). Dit betoog faalt, de rollen stickerfolie hebben hun afvalstoffenkarakter nog niet verloren, omdat het proces van nuttige toepassing nog niet is voltooid. De staatssecretaris kan bij de beslissing of er sprake is van "End of Waste" volstaan met de maatstaven die in de rechtspraak zijn ontwikkeld en hoeft hierbij niet de voorwaarden uit artikel 6, lid 1, van de Kaderrichtlijn te betrekken.
Telefoonpalen – Hof van Justitie EU, 7 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:142 (C-358/11).
Voor behandeld hout zijn in het Unierecht geen specifieke criteria vastgesteld om het op basis van artikel 6, lid 1, van de Kaderrichtlijn 2008/98 niet langer te beschouwen als een afvalstof (einde afvalfase) maar dit staat er niet aan in de weg om per geval te bepalen of bepaalde afvalstoffen niet langer afvalstoffen zijn (r.o. 55).
Metaalafval – Rechtbank Maastricht, 13 juni 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BW8272.
Verdachte heeft met een vrachtauto metaalafval vervoerd zonder dat hij in het bezit was van een vermelding op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars. Het Openbaar Ministerie stelt dat er sprake is van een overtreding van artikel 10.55 van de Wet milieubeheer. De raadsman van de verdachte stelt dat op grond van de Europese Verordening EG/333/2011 van 30 maart 2011 (end of waste criteria voor metaalafval) het metaalafval niet langer als afvalstof beschouwd kan worden. De Verordening EG/333/2011 is echter van toepassing met ingang van 9 oktober 2011 terwijl het transport plaatsvond in 2009. Eén van de vragen die de rechter moest beoordelen is of er nog sprake was van een afvalstof. De strafrechter komt met betrekking tot dit punt tot het volgende:
“Het verweer dat de economische politierechter thans dient te beoordelen rust op de aanname dat als gevolg van de inwerkingtreding van Verordening 333/2011 geen sprake meer is van afval, nu de door verdachte vervoerde metalen vallen binnen de daartoe in de verordening benoemde criteria. Het verweer sluit daarmee aan bij het zogenaamde criterium van de einde-afvalfase (“end of waste”) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van Richtlijn 2008/98/EG.
Artikel 6, eerste lid, aanhef, van Richtlijn 2008/98/EG bepaalt dat sommige specifieke afvalstoffen niet langer afvalstoffen in de zin van artikel 3, punt 1), zijn wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder bepaalde voorwaarden. Reeds uit de aanhef van deze bepaling volgt dat op de enkele grondslag van deze Richtlijn niet kan worden bepaald of in casus sprake is van een einde-afvalfase. Daartoe moet immers zijn voldaan aan nadere, specifieke criteria.
Deze specifieke criteria zijn voor metaalschroot opgenomen in Verordening 333/2011. Artikel 3 bevat de cumulatieve criteria op grond waarvan dient te worden bepaald of ijzer- en staalschroot, waartoe het door verdachte vervoerde materiaal moet worden gerekend, al dan niet als afval heeft te gelden. Onder d) is hier bepaald dat de producent moet hebben voldaan aan de voorschriften van de artikelen 5 en 6. In deze artikelen zijn voorschriften opgenomen die tot aan het moment van inwerkingtreding van de verordening niet golden, en die thans eisen dat de producent of importeur voor elke zending metaalschroot een zogenaamde conformiteitsverklaring opstelt en deze overdraagt aan de houder van het metaalschroot (artikel 5, eerste en tweede lid) én een kwaliteitsbeheersysteem invoert waarmee kan worden aangetoond dat is voldaan aan de criteria in artikel 3 (artikel 6, eerste lid).
Het is om deze reden dat thans sprake is van nadere, specifieke eisen waaraan voldaan moet zijn wil niet langer sprake zijn van afval, en ten tijde van het aan verdachte tenlastegelegde feit nog niet voldaan hoefde te zijn, er geen sprake kán zijn van een gunstiger wettelijk voorschrift waarop verdachte zich kan beroepen. De economische politierechter is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen.”
Oud papier – Rechtbank Rotterdam, 29 november 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY4960.
Oud papier wordt overgebracht zonder EVOA-procedure. Verdachte is van mening dat er sprake is een bijproduct ofwel dat er sprake is van een einde-afvalfasestof. Rechtbank oordeelt dat er voor oud papier nog geen criteria op grond van artikel 6 Kaderrichtlijn afvalstoffen zijn opgesteld.