De Richtlijn 2000/53/EG van 18 september 2000 betreffende afgedankte voertuigen beoogt preventie van afvalstoffen uit afgedankte voertuigen, bevordering van de inzameling, hergebruik en recycling. Evenals bij de elektrische en elektronische apparatuur is hierin de producentverantwoordelijkheid als uitgangspunt genomen. De richtlijn beoogt de vermindering van de hoeveelheid afval (door middel van preventie, hergebruik, recycling en andere vormen van nuttige toepassing), en daarmee van de negatieve milieueffecten, die voortvloeien uit de verwijdering van autowrakken. Ze heeft tevens tot doel het verbeteren van de milieuprestaties van de verwerkers van autowrakken en van andere ondernemingen die betrokken zijn bij de levenscyclus van voertuigen. De richtlijn geeft aan de lidstaten bepalingen om autoproducenten aan te moedigen maatregelen te treffen dat zo min mogelijk afval ontstaat in de gehele keten (productiefase – gebruiksfase – afvalfase). De richtlijn hanteert een verplicht percentage van 95% recycling van het gewicht van afgedankte auto’s.
Tot slot stelt de richtlijn technische minimum verwerkingseisen die soms erg specifiek zijn, bijvoorbeeld de noodzaak om bodembeschermende voorzieningen te treffen bij de opslag van autowrakken of onderdelen daarvan.
De uitwerking van de richtlijn in Nederland heeft gestalte gekregen in het Besluit beheer autowrakken en het Besluit beheer autobanden. Feitelijk heeft de Nederlandse verwerkingswijze model gestaan voor de uitgangspunten van de Europese richtlijn. De organisatie Auto Recycling Nederland (ARN, www.arn.nl) is verantwoordelijk voor het bereiken van de doelstelling uit de richtlijn. Het nuttig hergebruik ligt in Nederland thans op meer dan 98% van het gewicht van een auto.
Voor de milieubelastende activiteit shredderen van autowrakken gelden inhoudelijke regels uit hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving .