De Richtlijn 2000/59/EG betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen van 27 november 2000 (laatst gewijzigd op 9 december 2015, PbEU L 302) moet de beschikbaarheid en het gebruik van havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafvalstoffen en ladingrestanten verbeteren. Het doel hiervan is de (illegale) lozing van scheepsafval en ladingresiduen in zee door schepen die gebruikmaken van havens in de EU te verminderen door betere beschikbaarheid en gebruik van havenontvangstvoorzieningen. De reden is de verontreiniging van zeeën en kusten door het illegaal lozen van afval en ladingrestanten vanaf schepen op zee. Met de richtlijn moet de bescherming van het mariene milieu verbeteren.
De Richtlijn moet het lozen van de afvalstoffen terugbrengen door de verplichting om scheepsafval af te geven bij een havenontvangstvoorziening (HOI) voordat het schip uit een EU-haven vertrekt. De lidstaten moeten daartoe zorgdragen voor havenontvangstvoorzieningen die alle soorten scheepsafval kunnen accepteren. Alle schepen betalen een vast bedrag waarvoor ze de afvalstoffen kunnen afgeven (ongeacht of ze daarvan gebruikmaken). Alleen als de kapitein kan aangeven dat het schip voldoende opslagcapaciteit aan boord heeft dan hoeven de afvalstoffen niet te worden afgegeven, maar ook dan kan het EU-land, als het daarvoor goede redenen heeft, eisen dat het afval voor het vertrek wordt afgegeven.
Elke zeehaven in de EU moet een plan hebben voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval dat elke drie jaar moet worden goedgekeurd. Daarnaast moet er een controlesysteem zijn voor de ontdekking van onregelmatigheden. Een vereiste daarbij is dat ten minste 25% van de schepen wordt geïnspecteerd.
De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Regeling havenontvangstvoorzieningen van 1 juni 2022.