Het arrest ARCO Chemie en EPON van 15 juni 2000 (C-418/97 en C-419/97; ECLI:EU:C:2000:318) schept duidelijkheid over het begrip “afvalstof” in de zin van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen en geeft een aantal criteria, waaruit af te leiden valt of een stof als afvalstof of als grondstof kan worden beschouwd. Deze criteria zijn grotendeels overgenomen in het LAP.
Het door ARCO Chemie gevoerde productieproces levert naast propyleenoxide en tertiaire butylalcohol een stroom koolwaterstoffen die molybdeen bevatten, afkomstig van katalysatoren die in het productieproces van propyleenoxide worden gebruikt. In een hiervoor bestemde installatie wordt het molybdeen uit de stroom koolwaterstoffen gehaald, waarna de stof als LUWA-bottoms, die een calorische waarde van 25-28 MJ/kg hebben, door het leven gaat en gebruikt wordt als brandstof in de cementindustrie. ARCO Chemie vindt daarom dat er geen sprake is van afvalstoffen en dat VROM in het kader van de EVOA-regeling geen bezwaar tegen de overbrenging van deze stoffen had mogen maken.
EPON gebruikt vermalen houtspaanders, afkomstig uit bouw- en sloopafval, als brandstof voor de opwekking van elektriciteit. Op basis van de milieuvergunning mag zij houtspaanders in dit proces gebruiken. Belangengroeperingen vinden dat hier sprake is van het verstoken van (gevaarlijke) afvalstoffen.
In beide zaken is beroep ingesteld bij de Raad van State in Nederland. Deze heeft in deze procedure een aantal prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof. Onder meer de criteria die in Nederland gebruikt worden, zijn ter beoordeling aan het Hof voorgelegd. Zijn deze stoffen naar maatschappelijke opvattingen een afvalstof nu zij zonder ingrijpende bewerking en op milieuverantwoorde wijze nuttig kunnen worden toegepast?
De beoordeling van het Hof is als volgt.
“Het toepassingsgebied van het begrip “afvalstof” hangt af van de betekenis van de term “zich ontdoen van” (arrest Inter-Environment Wallonie C-129/96, 18 december 1997). Volgens het Hof moet bij de uitleg van die term rekening worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn 75/442/EEG. De bedoeling van de richtlijn is:
Conclusie van het Hof: het begrip “afvalstof” mag niet restrictief worden uitgelegd, of anders gezegd: aan de doeltreffendheid van de richtlijn mag geen afbreuk worden gedaan door bewijsmethoden, die de werkingssfeer van de richtlijn zouden beperken.