Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

De Rechtbank Rotterdam heeft in mei 2012 bij het Europees Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over het afvalstoffenkarakter van een partij dieselolie die niet aan de overeengekomen productspecificatie voldeed. Op 12 december 2013 heeft het Hof de vragen beantwoord (C-241/12 en C-242/12; ECLI:NL:XX:2013:283).

Het betreft een lading dieselolie die door Shell per tankschip is geleverd aan een Belgische klant, waarbij na levering bleek dat deze onbedoeld vermengd was geraakt met laadruimrestanten van een ongewenste stof. De partij was vervolgens ongeschikt voor verkoop als dieselbrandstof en is geretourneerd aan Shell Nederland. Shell Nederland heeft de partij teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt. Het Openbaar Ministerie betoogt dat het product in kwestie ten tijde van de overbrenging van België naar Nederland gekwalificeerd diende te worden als afvalstof en dat Shell zich, door niet de kennisgevingsprocedure van artikel 15 van Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen te volgen, schuldig heeft gemaakt aan sluikhandel. Het Hof van Justitie gaat uitgebreid in op de vraag of er sprake is van "ontdoen van". De omstandigheid dat de Belgische klant de partij aan Shell heeft geretourneerd met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst, is van bijzonder belang. Een klant die aldus handelt, kan niet worden beschouwd als een persoon die voornemens was de betrokken partij te verwijderen of er een nuttige toepassing voor te vinden, en derhalve heeft hij er zich niet van ontdaan. Het risico dat de houder zich van deze partij ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben is bovendien laag. Dat geldt temeer indien de stof of het voorwerp in kwestie een niet onaanzienlijke marktwaarde heeft. Gelet daarop, wordt geantwoord dat in deze situatie een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt.

In de uitspraak worden de volgende twee omstandigheden genoemd die een aanwijzing zijn dat hier geen sprake is van het zich ontdoen van afvalstoffen:

  • De partij is geretourneerd met het oog op de terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst. Het risico dat de houder zich van deze partij ontdoet op een manier die nadelige gevolgen heeft voor het milieu is laag. Dit geldt temeer omdat de partij een niet onaanzienlijke marktwaarde heeft (rechtsoverweging 46).
  • De partij is teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt. Indien hergebruik in deze omstandigheid niet slechts mogelijk is maar ook zeker, is er geen sprake van een afvalstof (rechtsoverwegingen 52 en 53).