In de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Europese Hof van justitie (Vierde Kamer 3 oktober 2013, C-113/12) wordt ingegaan op het afvalstoffenkarakter van drijfmest. Aan de hand van de welbekende criteria is vastgesteld dat drijfmest een bijproduct is, als hergebruik zeker is, er geen voorafgaande bewerking nodig is en het plaatsvindt als voortzetting van het productieproces.
Het Supreme Court (Ierland) had het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld met betrekking tot de vraag wanneer bij een veehouderij vrijkomende drijfmest moet worden aangemerkt als een afvalstof zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn afvalstoffen. De vragen zijn gerezen naar aanleiding van een milieuvergunningprocedure voor de intensieve varkenshouderij van M. Brady. De vergunningaanvraag heeft mede betrekking op het opslaan van drijfmest in tanks, waarna Brady de mest als meststof aan landbouwers verkoopt. Het bevoegde gezag in deze kwestie – het Environmental Protection Agency (EPA) – heeft aan de vergunning de voorwaarde verbonden dat Brady ervoor moet zorgen dat de landbouwers aan wie hij de drijfmest levert, deze gebruiken in strikte overeenstemming met de vergunningsvoorwaarden. Brady kon zich met deze bepaling niet verenigen en betoogde bij het High Court dat de drijfmest geen afvalstof in de zin van de richtlijn 75/442 is, maar een bijproduct van zijn bedrijf dat hij als meststof in de handel brengt. Om die reden is het EPA volgens Brady niet bevoegd om verwijdering of nuttige toepassing van die drijfmest te regelen zoals dit in de vergunning is gedaan. Brady stelt dat hij dan namelijk ook verantwoordelijk is voor een aantal bepalingen uit de Nitraatrichtlijn (vergunningsvoorwaarden) met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging van het grondwater. Nadat zijn beroep was afgewezen door het High Court heeft hij een hogere voorziening ingesteld bij het Supreme Court. Het Supreme Court had op basis van de bestaande Europese jurisprudentie van het afvalstoffenbegrip onvoldoende aanknopingspunten gevonden om uitspraak te doen in deze zaak en heeft het Hof prejudiciële vragen voorgelegd. Het Hof heeft beantwoord dat drijfmest die wordt geproduceerd in een intensieve varkenshouderij en wordt opgeslagen in afwachting van de levering aan landbouwers om door hen als meststof te worden gebruikt, geen “afvalstof” in de zin van de Kaderrichtlijn afvalstoffen is, maar een bijproduct mits het hergebruik niet alleen slechts mogelijk maar ook zeker is, er geen voorafgaande bewerking nodig is en als het plaatsvindt als voortzetting van het productieproces. Het is aan de nationale rechterlijke instanties om, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van de hun voorgelegde situaties, na te gaan of aan deze criteria is voldaan, aldus het Hof. Verder is door het Hof aangegeven dat op de producent van de drijfmest de last rust om te bewijzen dat het geen afvalstof maar bijproduct is. Op het moment dat wel wordt vastgesteld dat het gaat om afvalstoffen, mag alleen worden overgedragen aan landbouwers die over een vergunning beschikken om afvalstoffen als meststof over hun grond uit te rijden. Het is niet mogelijk om aan de houder van de drijfmest c.q. afvalstoffen (in casu Brady) voorwaarden op te leggen die moeten worden toegepast bij handelingen die door andere landbouwers moeten worden verricht (C-113/12, ECLI:EU:C:2013:627).
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen verwijst het Hof een aantal keer naar de overeenkomsten vertonende uitspraak C-416/02 van 8 september 2005 (Commissie van de Europese Gemeenschappen-Koninkrijk Spanje; ECLI:EU:C:2005:511 en ECLI:EU:C:2005:512). Deze kwestie – ook wel bekend als "de Spaanse mestzaken" – betrof een inbreukprocedure van de Commissie tegen het Koninkrijk Spanje wegens niet-nakoming van onder andere de toenmalige Kaderrichtlijn afvalstoffen. De Commissie voerde toen aan dat Spanje de uit de artikelen 4, 9 en 13 van de Kaderrichtlijn voortvloeiende verplichtingen heeft geschonden door niet de nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat de afvalstoffen (dierlijke mest en dierenkadavers) afkomstig van een bepaalde varkenshouderij worden verwijderd dan wel nuttig toegepast zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu. Het Hof (Derde Kamer) verwierp destijds de door de Commissie aangevoerde grieven op dit punt. Naar het oordeel van het Hof was dierlijke mest namelijk geen afvalstof maar een bijproduct, zodat de Kaderrichtlijn afvalstoffen hierop niet van toepassing was. Ook bij de Ierse mest lijkt sprake te zijn van een bijproduct, maar het is uiteindelijk aan de nationale rechter om na te gaan of, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, aan de criteria is voldaan.