In het arrest Saetti en Frediani van 15 januari 2004 (C-235/02; ECLI:EU:C:2004:26) ging het om de vraag of petroleumcokes in een petroleumraffinaderij doelbewust worden geproduceerd of bij de gelijktijdige productie van andere brandbare petroleumderivaten ontstaat, en die met zekerheid wordt gebruikt als brandstof voor de energiebehoeften van de raffinaderij en andere bedrijven, vormt geen afvalstof in de zin van richtlijn 75/442.
Saetti en Frediani drijven een raffinaderij. Vrijkomende petroleumcokes worden gebruikt in een thermo-elektrische centrale waarvan het grootste deel van de opgewekte energie door de raffinaderij zelf wordt gebruikt. Het Italiaanse openbaar ministerie was van mening dat petroleumcokes was aan te merken als een afvalstof.
Het Hof overweegt dat petroleumcokes niet kan worden beschouwd als een productieresidu omdat de productie het resultaat is van een technische keuze. Gebruik van de petroleumcokes als brandstof is zeker en de overschotten aan elektrische energie kunnen worden verkocht, hetgeen aanwijzingen zijn dat er sprake is van een beoogd product. De rechtsoverwegingen 45 en 46 geven duidelijk aan wat de omstandigheden zijn en geven ook aan wanneer er wel sprake kan zijn van een afvalstof.
45. “In de eerste plaats kan in die omstandigheden petroleumcokes niet worden beschouwd als productieresidu in de zin van punt 34 van de onderhavige beschikking. De productie van cokes is dan immers het resultaat van een technische keuze (petroleumcokes wordt bij raffinagehandelingen kennelijk niet noodzakelijkerwijs geproduceerd) voor het gebruik van een bepaalde brandstof, waarvan de productiekosten waarschijnlijk lager zijn dan de kosten van andere brandstoffen die voor de opwekking van de nodige thermische energie en elektriciteit voor de raffinaderij zouden kunnen worden gebruikt. Ook al komt de betrokken petroleumcokes, zoals een tegenpartij van Saetti en Frediani in de hoofdzaak aanvoert, automatisch voort uit een techniek die gelijktijdig andere petroleumderivaten voortbrengt, welke in de eerste plaats worden beoogd door de directie van de raffinaderij, moet in casu worden geconcludeerd dat, aangezien het gebruik van de volledige cokesproductie zeker is en het daarbij hoofdzakelijk gaat om dezelfde soorten gebruik als bij andere stoffen, genoemd petroleumcokes ook een als zodanig beoogd petroleumproduct is en geen productieresidu. Dienaangaande lijkt het, gelet op het aan het Hof overgelegde dossier, in de hoofdzaak vast te staan dat het gebruik van alle petroleumcokes als brandstof in het productieprocédé zeker is, nu de eruit voortvloeiende overschotten aan elektrische energie op hun beurt volledig worden verkocht.”
46. “Wat in de tweede plaats de in punt 39 van de onderhavige beschikking vermelde gegevens betreft, doet de omstandigheid dat de petroleumcokes wordt gebruikt als brandstof voor de productie van energie, hetgeen strookt met een gangbare nuttige toepassing van afvalstoffen, niet ter zake omdat een raffinaderij juist tot doel heeft verschillende soorten brandstoffen op basis van ruwe aardolie te produceren. Irrelevant is bovendien dat een ander gebruik dan dat waarbij de betrokken stof verdwijnt, onmogelijk zou zijn (hetgeen in casu niet het geval is omdat petroleumcokes kan worden gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van producten op basis van koolstof en grafiet), alsook dat het gebruik van petroleumcokes gepaard moet gaan met bijzondere voorzorgsmaatregelen voor het milieu (wat in casu wel het geval is). Deze criteria zijn immers van toepassing op productieresiduen, en petroleumcokes die in de hiervóór beschreven omstandigheden wordt geproduceerd en gebruikt, voldoet blijkens het voorgaande punt van de onderhavige beschikking niet aan deze kwalificatie. De bewering dat de maatschappij petroleumcokes als een afvalstof beschouwt, vormt, indien bewaarheid, gelet op de hiervoor genoemde overige omstandigheden onvoldoende grond om te concluderen dat de betrokken petroleumcokes een afvalstof is. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien de directie van de raffinaderij onder druk van de openbare opinie ervan zou afzien petroleumcokes te gebruiken of daartoe bij wet zou worden verplicht. In een dergelijk geval zou immers moeten worden geoordeeld dat de houder van petroleumcokes zich ervan ontdoet dan wel voornemens of verplicht is zich ervan te ontdoen.”